Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
zoeken
printen

Ooit een land van kloosters

Ooit een land van kloosters: Teksten van Augstinus over het kloosterleven / inl. en vert. door prof.em. T.J. van Bavel. - Heverlee-Leuven: Augustijns Historisch Instituut, 1999. - 303 p. - ISBN: 90-74829-07-4 hb

Citaten uit het werk van Augustinus, voorzien van inleiding en bronvermelding.
Dit boek kan tevens dienen als bronnenboek bij Charisma: gemeenschap als plaats voor de Heer / T.J. van Bavel. - Heverlee-Leuven: Augustijns Historisch Instituut, 2000. - 186 p. - ISBN: 90-74829-08-2 hb

[Uit de inleiding]
In dit boek bieden wij de belangrijkste teksten van Augustinus in verband met zijn kloosterleven aan in Nederlandse vertaling. Daarbij hebben we getracht de teksten zoveel mogelijk in chronologische volgorde weer te geven. Ondanks de onzekerheid van datering kan men uit die volgorde bepaalde lessen trekken. Heel in het algemeen kan men de invloed vaststellen van de drie grote controversen uit Augustinus' leven. Tegen het manicheïsme zal Augustinus vooral het ascetisch karakter van het kloosterleven benadrukken zonder de goedheid van het geschapene te ontkennen (Over de levenswijze van de katholieke kerk; Tegen Faustus). Tegen het donatisme dat de eenheid tussen christenen verscheurt, komt de nadruk vooral te liggen op de eenheid en vrede tussen de leden van een kloostergemeenschap. Die gemeenschap zou een model van eendracht en liefde moeten zijn (Brieven 78,8; 83,1-3; 211,4; Preken over psalm 99,2-8) Tegen het pelagianisme dat volgens Augustinus de verkoop van alle bezit eist, verdedigt hij dit geen gebod is in de strikte zin van het woord en dus geen absolute eis om het eeuwige heil te verwerven (Brief 157). Nee, het gaat om een vrij gewilde keuze.

Het grondbeginsel van Augustinus’ kloosterleven
     Voor Augustinus was de christelijke gemeenschap zoals die op vrijwillige basis beleefd werd in Jeruzalem, waar de leden één van hart en één van ziel leefden in gemeenschap van goederen (Hand. 4,32-35) het ideaal dat hij wilde navolgen en verwezenlijken voor zijn tijd. Zo'n gemeenschap leek hem een uitstekend alternatief voor een maatschappij die beheerst werd door hebzucht, hoogmoed en macht. In een kloostergemeenschap moet het mogelijk zijn de evangelische gelijkheid van alle mensen tot stand te brengen, een volwaardige broederlijkheid en oprechte zusterlijkheid onder allen. Zo is religieus gemeenschapsleven het in praktijk brengen van het tweede luik van het dubbelgebod: liefde tot God en liefde tot de naaste als tot onszelf. 
     Bij de opbouw van zo'n gemeenschap spelen bij Augustinus vooral twee aspecten een belangrijke rol, namelijk gemeenschap van materiële goederen en nederigheid. Beide zijn onontbeerlijk voor de opbouw van een gemeenschap, want beide hebben te maken met de liefde voor anderen. Gemeenschap van goederen moet beletten dat men in zelfzucht vervalt en zichzelf centraal stelt. Nederigheid is vereist om zich open te kunnen stellen voor anderen, want bij iemand die hoogmoedig is draait ook alles om het eigen ik.

Enkele kenmerken van het kloosterleven
     Bij de lezing van de teksten springen enkele kenmerken onmiddellijk in het oog. Het is bijvoorbeeld opvallend dat Augustinus de intrede in een kloostergemeenschap beschrijft met de term "bekering". Soms aarzelt men bij de vertaling: gaat het om bekering tot het christelijk geloof of om bekering tot het kloosterleven) Toch gaat het vaak duidelijk om de bekering tot het kloosterleven. Een andere moeilijkheid doet zich voor met betrekking tot het Latijnse woord votum dat men kan vertalen als "belofte" of als "gelofte". Omdat gelofte gemakkelijk het moderne, juridische begrip van een gelofte oproept, heb ik het meestal door "belofte" vertaald (Zie Preek over psalm 7 5). Het is ook duidelijk dat Augustinus het kloosterleven als een raad opvat en niet als een gebod (Brief 157). Heel traditioneel beschrijft hij die raad als een ongehinderd, dat wil zeggen onbelemmerd door wereldse zorgen, volgen van Christus (Brief 243, 11). De religieuze levensstaat is voor hem ontegensprekelijk hoger in rang en verdienste dan bijvoorbeeld de weduwstaat of het huwelijk. Maar hij beschouwt dit als een objectief gegeven dat nog niet veel zegt over de persoonlijke beleving. Het is juist de persoonlijke beleving die doorslaggevend is. Uiteindelijk bepaalt de beleving van de liefde de graad van het christen-zijn.
     Als men de teksten leest, is men getroffen door Augustinus' genuanceerde benadering van de verschillende christelijke levensstaten. Als hij zijn boek "Over de heilige maagdelijkheid" schrijft, dan voorziet hij al de opwerping dat hij geen boek schrijft over de maagdelijkheid, maar over de nederigheid. Beter een nederige gehuwde dan een hoogmoedige maagd, zo stelt hij. Nederigheid is dus voor hem belangrijker dan een bepaalde levensstaat, want nederigheid is een belangrijker onderdeel van het leven zoals Jezus het voorgeleefd heeft. Vandaar de sterke aansporing om niet te oordelen over anderen die verborgen grotere gaven kunnen hebben dan wijzelf, en de strenge aanmaning om hen niet te veroordelen (Zie Brief 157,4,37-39).
     Een enigszins onverwachte benadering van het kloosterleven is de militaire terminologie die Augustinus gebruikt. Dat was mij nog nooit zo opgevallen. De woorden "krijgsdienst van Christus" (militia), "soldaten van Christus" komen zeker acht keer voor. Deze termen zijn soms verbonden met het thema van de man die een toren ging bouwen en van een koning die met tienduizend manschappen moest optrekken tegen een koning met twintigduizend manschappen (Luc. 14,26-33. Brieven 243,1-7.157,4,34. Belijdenissen VIII,6,15). Soms zijn ze ook verbonden met 1 Kor. 9,7 waar we lezen dat een soldaat geen krijgsdienst verricht op eigen kosten; als soldaten van Christus moeten de monniken onderhouden worden door de burgers (Brief 157,4,37). De uitdrukking "clericale krijgsdienst" komt voor in Brief 60,1 en roept een woord in herinnering waarmee Augustinus steevast een kerkelijk ambt beschrijft, namelijk sarcina dat betekent: de bagage of last die een soldaat op zijn rug mee moet dragen.

Van idealisme naar realisme
         Nieuwe kloosterstichtingen wekken normaal groot enthousiasme in de aanvangsfase. We zien dit ook in Augustinus' gemeenschappen. Maar vanaf rond 405 zien we dat hij moet optreden tegen misbruiken. Daarbij valt op dat hij misbruiken niet beschouwt als privé-aangelegenheden, maar dat hij zijn ideaal verdedigt ten overstaan van de hele kerkgemeenschap. Het gaat soms over leden van een klooster die uittreden en het ideaal opgeven. Dan verwijst hij naar de vrouw van Lot die achterom keek en in een zoutzuil veranderde (Preek over psalm 75,16), want een belofte moet men houden. Vaker gaat het om mensen die het klooster niet verlaten, maar het levensideaal verminken door wezenlijke aspecten daarvan niet na te leven. Zo'n kloosterlingen stelt Augustinus gelijk met huichelaars of met doden. Ze leven niet zoals Ze zouden moeten. Vooral privébezit was klaarblijkelijk een teer punt. Dit verklaart ook de grote nadruk die Augustinus in zijn Regel legt op de gemeenschap van materiële goederen (Preken 355 en 356). Hij was daarom erg beducht voor erfenissen als oorzaken van tweedracht. Possidius (Leven van Augustinus 24) besteedt dan ook bijzondere aandacht aan Augustinus' houding tegenover erfenissen.
      Deze verslapping van het ideaal heeft Augustinus gesterkt in zijn overtuiging dat een ideale gemeenschap niet bestaat. Het is altijd mensenwerk. In verschillende betekenissen gaat het altijd over een "gemengde" gemeenschap. Een eerste vermenging die oorzaak is van bepaalde spanningen, is het feit dat zijn gemeenschappen bestonden uit mensen die een zekere rijkdom gekend hadden en anderen die van tevoren een armoedig bestaan geleid hadden. Er waren personen die een hoger beroep uitgeoefend hadden en personen uit de laagste klasse van de maatschappij. Er blijken ook veel vroegere slaven in zijn kloosters geweest te zijn. Toch was deze spanning niet de ergste. Veel ernstiger was de vermenging van goed en kwaad, van moreel goede en slechte mensen. Die spanning was onophefbaar, want in iedere mens huist goed en kwaad. Wil men deze spanning ontlopen, dan moet men de wereld verlaten. Wie zich terugtrekt van slechte mensen, verlaat ook de goeden. Maar overschat men zichzelf dan niet? (Over de handenarbeid van de monniken 22,26. Preken over psalm 99,9-13. 132,4). Indrukwekkend is Augustinus' bekentenis:"Ik durf mij niet aan te matigen te zeggen dat mijn huis beter is dan ... de kring van leerlingen rond de Heer Christus" (Brief 78,8).

Geciteerde werken (geordend naar bronnen)
Confessiones  (Belijdenissen) VI,24;  VIII,14-19, 27;  IX,17;  X,70
Concilie van Hippo
Concilie van Karthago (september 401)
Contra Faustum Manicheum  (Tegen de manicheeër Faustus)  5.9; 22,52; 53; 58)
Contra litteras Petiliani  (Tegen de brieven van Petilianus) II, 239; III, 48
De civitate Dei  (De Stad Gods) V,18  en XIX,19
De correptione et gratia  (Over terechtwijzing en genade) 1; 5; 46
De diuersis quaestionibus octoginta tribus  (Over drieëntachtig vragen), vraag 71
De opere monachorum (Over de handenarbeid van monniken) 2; 19-20; 25-26; 29; 32-33; 36-37
De sancta virginitate  (Over de heilige maagdelijkheid)  8; 11-12; 14; 16-18; 27-28; 31; 36; 43-46; 51
De vera religione  (Over de ware godsdienst)  3,5
Enarrationes
  Preek over psalm 54 (55),  8-9
  Preek over psalm 75 (76),  16
  Preek over psalm 83 (84),  4
  Preek over psalm 99 (100), 1-17
  Preek over psalm 131,  4-7
  Preek over psalm 132,  1-13
  Preek over psalm 133,  1 en 3
Epistulae
  Brief 5: Over de levenswijze van de katholieke kerk
  Brief 20*, c. 2, 32
  Brief 22, c. 1
  Brief 36, c. 26
  Brief 48
  Brief 60
  Brief 78
  Brief 83
  Brief 95,c. 3
  Brief 111, c. 1,3,5,7-9
  Brief 157, c. 25-29; 33-35, 37-39
  Brief 210
  Brief 211, c. 1-4
  Brief 243
In Iohannis euangelium tractatus  (preken over het Evangelie volgens Johannes) 57, 2-6
Regula - Ordo monasterii (Verordeningen voor het kloosterleven)
Regula – Praeceptum, Regula ad servos Dei  ( Regel van Augustinus)
Sermones
  Preek 1 over psalm 35 (37), 2
  Preek 3 over psalm 103 (104),  16-17
  Preek 343, c. 4
  Preek 355, c. 1-7
  Preek 356, c. 1-15
Soliloquia  (Alleenspraken)
Vita Augustini (Het leven van Augustinus, geschreven door Possidius)

Indices, Bibliografie, Inhoudsopgave

 

kleiner A  -  A groter
Sitemap

 



Snel naar de preekbundels:

Schatkamer van het geloof -
(sermones 1 - 50)

Van aangezicht tot aangezicht -
(sermones 51 - 94) 

Als korrels tussen kaf 
(sermones 94A -116 + 367) 

De weg komt naar u toe 
(sermones 117 - 147A + 368) 

Wijsheid van leerlingen  
(sermones 148 -150) 

Leven in hoop
(sermones 151 -162B) 

Geloof is het begin 
(sermones 162C - 183) 

De goede geur van Christus 
(sermones 272 - 299C)

Stratenmakers en brugwachters
(sermones 299D-335M)  

Geef mij te drinken
(Verhandelingen 1-23
Johannesevangelie) 

Brood om van te leven
(Verhandelingen 24-54
Johannesevangelie)


Bloemlezingen: 

Voedsel voor de ogen

Als licht in het hart (1)

Als lopend vuur (2)

Twintig preken / vert. Wijdeveld

Carthaagse preken / vert. Wijdeveld

Preken voor het volk / vert. Mohrmann

 

Tekstfragmenten
citaten Augustinus: 
 

Webarchief - Liturgisch jaar 

Webarchief - Thematisch 

Publicaties - Augustinus aan het woord 

Augustinus' leven - Citaten 

 

21 Mei 2019