Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
Augustijns Instituut > Webarchief > Artikelen > B-jaar (Marcusevangelie)
zoeken
printen

B-jaar (Marcusevangelie)

Advent 

Kerstmis

Epifanie 
Door het jaar jan-febr 
Veertigdagentijd 
Pasen 
Paastijd  
Door het jaar mei-juli  
Door het jaar aug-sept 
Door het jaar okt-nov 

 

Het nieuwe liturgische jaar (B-jaar 2011-2012) begint op zondag 27 november met de 1e zondag van de advent. In vele kerken vormt op zon- en feestdagen het evangelie volgens Marcus uitgangspunt voor verkondiging en overweging; omdat dit evangelie het kortste is, zijn over het jaar verspreid ook passages uit andere evangeliën ingepast, vooral uit het Johannesevangelie. Het evangelie volgens Marcus wordt door Augustinus niet veel gebruikt: zo zijn er bijvoorbeeld maar drie sermones van hem bewaard over een passage uit dit evangelie. Passende fragmenten uit het werk van Augustinus ter overdenking van het zondagevangelie moeten dan ook bijeengesprokkeld worden. Dikwijls vormen parallelteksten of verwante passages uit andere evangeliën een impliciet startpunt. Toch hopen we met de uitgekozen fragmenten een inspirerend hulpmiddel te bieden bij het pastorale werk.

De fragmenten kunnen dienen bij persoonlijke bezinning, maar kunnen ook behulpzaam zijn als korte overweging bij doordeweekse vieringen, als opening of afsluiting bij kerkelijke vergaderingen, als korte gedachte in een kerkblad of orde van dienst op zondag. Zo kan het evangelie op zondag naklinken bij andere kerkelijke activiteiten doordeweeks. Het staat u vrij om de bijlage te gebruiken op uw eigen website  op voorwaarde dat u de boekgegevens overneemt en/of verwijst naar www.augustinus.nl.  

Voor meer informatie over onze boeken zie Publicaties-NL-vertalingen, voor citaten per thema zie het Webarchief, of Citaten en de serie Augustinus aan het woord.  

Advent 

 

27 november 2011 - 1e zondag advent bij Mc 13,33-37
uit Augustinus' sermo 18,1-2
Christus de Heer, onze God, de Zoon van God, is bij zijn eerste komst in verborgenheid gekomen. Maar bij zijn tweede komst zal Hij duidelijk zichtbaar komen. Toen Hij in verborgenheid kwam, hebben alleen zijn dienaren Hem waargenomen. Wanneer Hij duidelijk zichtbaar zal komen, zullen alle mensen Hem waarnemen, de goede en de slechte. Toen Hij in verborgenheid kwam, is Hij gekomen om te worden geoordeeld. Wanneer Hij duidelijk zichtbaar zal komen, zal Hij komen om zelf te oordelen. Welnu. Destijds, toen Hij werd geoordeeld, heeft Hij zich stil gehouden. Daarover had de profeet voorzegd: "ls een schaap dat naar de slachtbank is geleid, als een lam dat oog in oog met zijn scheerder stond, heeft Hij zijn mond niet opengedaan." (Js 53,7) Maar God zal duidelijk zichtbaar komen, onze God, en Hij zal zich niet stil houden (Ps 49 (50),3). Anders dan toen Hij nog moest worden geoordeeld, zal Hij zich niet stil houden wanneer Hij zelf zal oordelen. Ook nu houdt Hij zich niet stil, voor wie naar Hem luistert. (...)
     Wat God heeft beloofd, wordt nu nog niet zichtbaar gemaakt. Waarmee Hij dreigt, is nu nog niet te zien. En daarom lachen ze om wat Hij gebiedt. Zowel goede als slechte mensen kennen voorspoed en tegenspoed. Mensen die geloven in wat er nu is, en niet in wat er later komt, stellen vast dat goede en slechte dingen van deze tijd willekeurig zowel goede als slechte mensen treffen. Als ze rijkdom wensen, zien ze dat zowel heel slechte als goede mensen rijkdom bezitten. Maar als ze de armoede en de ellende van deze tijd verafschuwen, zien ze ook dat niet alleen de goede mensen onder de ellende hier te lijden hebben, maar ook de slechte. En dan zeggen ze bij zichzelf dat God niet omkijkt naar de belangen van de mensen, en dat Hij zich daar niet mee bezighoudt, maar dat Hij ons, die in de verste regionen van deze wereld liggen, aan ons lot overlaat, en zich verder niet meer om ons bekommert. En zo komt het dat ze zich niets van zijn gebod aantrekken. Ze zien namelijk aan geen enkel duidelijk teken dat er ook maar zoiets als een oordeel bestaat.
      Toch moet je ook nu beseffen dat God naar je omkijkt en over je oordeelt wanneer Hij dat wil, en dat Hij zijn oordeel niet uitstelt. Maar God kan zijn oordeel, wanneer Hij dat wil, ook wèl uitstellen. Waarom Hij dat zou doen? Als God in het hier en nu over niets zou oordelen, zou je geloven dat Hij niet bestond. Als God in het hier en nu over alles zou oordelen, zou er niets meer voor het laatste oordeel bewaard blijven. Voor het laatste oordeel wordt een groot aantal zaken bewaard, maar over een paar dingen wordt er al in het hier en nu geoordeeld. Daarmee hoopt God te bereiken dat degenen van wie het oordeel wordt uitgesteld, bang worden en zich bekeren. Want God houdt er niet van om te veroordelen. Hij wil het liefst redden (Joh 12,47). Met de slechte mensen heeft Hij zoveel geduld omdat Hij hen tot goede mensen wil maken. Zo zegt de apostel dat de toorn van God zich over alle ongeloof zal openbaren (Rom 1,18), en dat God ieder mens naar zijn daden zal belonen (Rom 2,6). En als de mens zich daar niets van aantrekt, spreekt hij hem op verwijtende toon toe: “Veracht u zijn rijkdom aan goedheid en lankmoedigheid soms?” (Rom 2,4) Hij is goed voor u, want Hij is lankmoedig, Hij benadert u vol geduld, Hij stelt uw zaak uit in plaats van u te laten vallen, en ú veracht Hem. Sterker nog, u denkt dat er geen oordeel van God bestaat, omdat u niet weet dat het geduld van God u tot inkeer wil brengen Rom 2,4). Maar doordat u zo hard bent, maakt u dat de voorraad straf waartoe God u veroordeelt op de dag dat Hij zijn rechtvaardig vonnis uitspreekt en uitvoert, alleen maar groter wordt (Rom 2,5). God zal ieder mens belonen naar zijn daden (Rom 2,6).
      Uit: een nog te publiceren vertaling van het Augustijns Instituut

4 december 2011 - 2e zondag van de advent bij Mc 1,1-8
uit Ambrosius' uitleg van het Lucasevangelie 2,69-73
De heilige Matteüs en de heilige Marcus hebben Johannes de Doper als een profeet kenbaar willen maken met zijn kleding, gordel en voedsel: Johannes droeg een kleed van kameelhaar en een leren gordel om zijn middel. Hij at sprinkhanen en wilde honing (Mc 1,6). De voorloper van Christus duldde namelijk niet dat de vacht van onreine dieren verloren ging en gaf zo al met zijn kleding aan dat de komst van Christus aanstaande was. Christus zou de zonden van het onreine heidendom op zich nemen: zonden die lijken op een dier in het wild en doortrokken zijn van vuil naar gelang van onze wanstalige vergrijpen. Hij zou pas, om zo te zeggen, dat kleed van ons vlees afleggen op het overwinningsteken van het kruis.
      Wat wil de leren gordel die Johannes om zijn middel droeg, anders zeggen dan dat tot dan toe het vlees de geest gewoonlijk tot last was geweest. Sinds de komst van de Heer diende het vlees niet als hinderlijke bagage maar juist als band die helpt dragen. Wij hebben volgens David onze citers aan de wilgen gehan­gen (Ps 136 (137),2), en wij stellen volgens Paulus geen vertrouwen in het vlees en toch weer wel in het lichaam (Fil 3,3): geen vertrouwen namelijk in de lusten ervan, maar wel in het lijden ervan. Want de vurigheid van geest (Rom 12,11) is kracht­dadig en wij omgorden ons tot het volledige onderhouden van de geboden uit de hemel. Daarop blijven we met geestelijke aandacht gespitst, niet gehinderd door ons lichaam en door alles wat daarmee samenhangt.
       Ook het voedsel van de profeet Johannes duidt op zijn ambt en kondigt een geheim aan. Wat toch is zo zinledig voor een mens in zijn ambt als het opzoeken van sprinkha­nen maar wat is zo vol zin voor het geheim van een profetisch optreden? Sprinkhanen zijn schadelijk voor de oogst, nutteloos voor gebruik, schichtig bij aanraken, onberekenbaar in hun sprongen en maken met de snuit hun sjirpende geluid. Hoe meer ze dat doen, des te beter kan men er de heidenen mee in verband brengen: ze arbeidden zonder resul­taat, werkten zonder opbrengst, hadden nauwelijks betekenis, lieten zonder woorden hun klachten en klagen­ horen en kenden niet het levende Woord. Dat volk nu is voedsel voor profeten, want hoe talrijker mensen samenstromen, des te meer effect sorteert de mond van de profeet.
      Ook de genade van de kerk heeft een voorafbeeling: wilde honing. Die wordt niet gevonden in de bijenkorf van de wet door de groeikracht van het joodse volk, maar ligt door het dwalen van de heidenen overal verspreid in de velden en onder het gebladerte van het woud volgens het Schriftwoord: "Wij vonden de ark in de velden van het woud." (Ps 131 (132),6) Johannes at de wilde honing om daarmee aan te kondigen dat de volken verzadigd moesten worden met honing uit de rots zoals geschreven staat: "Uit de rots verzadigde Hij hen met honing." (Ps 80 (81),17) Zo hebben ook raven Elia in de woestijn gevoed met spijs die zij van verre aanvoer­den, en met kostbaar water (1 K 17,6): dit moest erop wijzen dat heiden­volken, overtrokken met de zwarte doodskleur van hun misdadig gedrag, voorheen voedsel zochten tussen riekende lijken maar nu zichzelf, als uit het buitenland gehaald voedsel, de profeten zouden aanbieden.­ Want het voedsel van de profeten is het volvoeren van Gods wil zoals de Heer zelf heeft verklaard toen Hij zei: "Mijn voedsel is de wil doen van Hem die Mij gezonden heeft." (Joh 4,34)
     Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; - Budel : Damon 2005, p. 123-125.

11 december - 3e zondag advent bij Joh 1,6-8 en 19-28
uit Augustinus' verhandelingen over het Johannesevangelie 4,7
Ze vroegen hem: "Hoe zit het dan? Bent u Elia?" "Nee", antwoordde hij. En ze vroegen hem: "Bent u dan de profeet?" "Nee," antwoordde hij. "Maar wie bent u dan?" drongen ze aan, "We moeten antwoord kunnen geven aan degenen die ons gestuurd hebben. Wie zegt u zelf dat u bent?" Hij zei: "Ik ben de stem van iemand die roept in de woestijn." (Joh 1,22-23) Dat heeft Jesaja gezegd. In Johannes is die profetie vervuld: “Ik ben de stem van iemand die roept in de woes­tijn." (Js 40,3) Wat roept hij? "Maak recht de weg van de Heer, maak recht de paden voor onze God!" Lijkt het u niet de taak van een heraut om te roepen: "Uit de weg, maak ruimte"? Alleen roept een heraut: "Uit de weg,” maar Johannes zegt: "Kom!" Een heraut duwt de mensen weg van de rechter. Johannes roept ze tot de rechter. Of liever: Johannes roept ze naar de nederige Jezus om te voorkomen dat ze zullen ervaren wie Hij is als verheven rechter. "Ik ben de stem van iemand die roept in de woestijn: Maak recht de weg van de Heer - zoals de profeet Jesaja gezegd heeft." Hij zegt niet dat hij Johannes is, Elia of de profeet. Maar hij zegt: "Ik word genoemd de stem van iemand die roept in de woestijn: Maak recht de weg van de Heer." Ik ben deze profetie zelf.
     Uit: Aurelius Augustinus - Geef mij te drinken: verhandelingen over het Johannesevanglie 1-23;  - Budel : Damon 2010, p. 108-109


18 december - 4e zondag van de advent bij Lc 1,26-38
uit Ambrosius uitleg van het Lucasevangelie 2,1
De goddelijke geheimen blijven welis­waar geheimen en volgens het profetenwoord kan een mens het raadsbe­sluit van God niet gemakkelijk begrijpen (Js 40,13). Maar toch kunnen wij uit de overige daden en voorschrif­ten van de Heer onze Heiland opmaken dat ook het raadsbesluit om een vrouw die verloofd was, uit te kiezen tot moeder van de Heer, heel nauwkeurig was afgewogen.
     Waarom nu is zij niet vóór haar verloving zwanger geworden? Wellicht omdat men anders zou zeggen dat het ­door overspel gekomen was. De Schrift heeft duidelijk twee dingen over haar gesteld: zij was verloofd en zij was maagd. Maagd, om haar af te zonderen van elke omgang met een man; verloofd, om niet de kwade naam te krijgen dat haar maagdelijkheid geschonden was, en daarvan het brandmerk te dragen, nu zij in verwachting van haar kindje het bewijs van de ontering scheen te leveren. De Heer verkoos dat men liever zou twijfelen over zijn afkomst dan over de reinheid van zijn moeder. Hij wist namelijk hoe fijngevoelig maagdelijke ­schroom was en hoe kwetsbaar de goede naam van zuiverheid. Hij vond dat het bewijs van zijn eigen goddelijke afkomst niet mocht worden versterkt door ten onrechte zijn moeder verdacht te maken. Zo blijft de maagde­lijkheid van de heilige Maria onaangetast: haar zuiverheid houdt haar ongerept, geruchten kunnen haar niet schaden. Heiligen dienen namelijk ook goed aangeschreven te staan bij wie niet tot de gemeente behoren (1 Tim 3,7). En het geeft geen pas dat slecht bekendstaande meisjes zich zouden vrijpleiten­ met de verontschuldiging dat ook de moeder van de Heer een slechte naam scheen te hebben gehad. 
     Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; - Budel : Damon 2005, p. 89

Top 

Kerstmis


25 december - kerstnacht bij Lc 2,1-14
uit Ambrosius' uitleg van het Lucasevangelie 2,36-37
Nu wij over de geboorte van de Heiland gaan spre­ken is het, dachten wij, niet misplaatst de vraag op te werpen naar de tijdsomstandigheden waarin hij ter wereld kwam. Wat heeft nu de aangifte van wereldse gegevens te maken met de geboorte van de Heer? Ook dat is een goddelijk mysterie. Onder het uiterlijk van de wereldse aangifte voltrekt zich er een op geestelijk vlak, niet voor de aardse maar voor de hemelse vorst bestemd. Deze aangifte van het geloof registreert het innerlijk leven van de mensen. Nu de oude heffing in de synagoge is afgeschaft, wordt er een nieuwe voor de kerk voorbereid: niet om dwangsommen op te eisen maar om die af te schaffen. ...­­ Hier worden geen landerijen opgemeten, maar zielen en harten gepeild­. Hier worden geen grenzen vastgesteld maar vooruitgeschoven. Hier maakt men geen onderscheid tussen oud en jong, maar wordt iedereen bijge­schreven. Niemand is immers van deze heffing vrijgesteld, omdat mensen van alle leeftijden schatplichtig zijn aan Christus ... 
     Bij deze aangifte hoeft u niets te vrezen dat schrik aanjaagt, niets dat harteloos aandoet, niets dat ­ongelukkig maakt. Deze aanslag ondertekent iedereen alleen met het geloof. Wilt u weten hoe de belastingdienaren van Christus zijn? Zij krijgen de opdracht de vermogens op te nemen zonder stok en terreur, het volk te winnen met welwillendheid, het zwaard in de schede te steken en geen goud te bezitten (Vgl. Mt 10,9-10, Mc 6,8-9 en Lc 9,3). Met zulke belastingdienaren is de wereld gewonnen. Kortom, de plicht om zich te melden gold de hele wereld. Daaruit kunt u opmaken dat deze aangifte niet van Augustus maar van Christus uitging.
     Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; - Budel : Damon 2005, p. 107-108


25 december - kerstdag bij Joh 1,1-18
uit Augustinus' sermo 118,2
Laat God de ruimte om voort te brengen wat eeuwig is. Alstublieft, luister goed over wie we het hebben. ... We hebben het over God. We belijden en ge­loven dat de Zoon even eeu­wig is als de Vader. "Maar," zeggen ze, "als mensen kinderen krijgen, is de eerste generatie ouder dan de tweede generatie." Ja, dat is zo: bij de mensen is de eerste generatie ouder dan de tweede. Maar het kind gaat zijn vader in kracht evenaren. En dat komt natuurlijk omdat de een opgroeit en de ander ouder wordt. Als de vader stil stond in de tijd en het kind hem al groeiend zou in­halen, dan zou u op een bepaald moment kunnen vaststellen dat ze even oud waren. Goed, ik geef u een voorbeeld om het te kunnen begrij­pen. Het vuur brengt een gloed voort die even oud is als het vuur zelf. Bij de men­sen vindt u alleen maar kinderen die jonger zijn dan hun ouders; ze zijn nooit even oud. Maar zoals gezegd, ik geef u een voorbeeld: de gloed die even oud is als het vuur, zijn vader. Het vuur brengt na­melijk gloed voort en bestaat nooit zon­der gloed. Als u dan inziet dat de gloed even oud is als het vuur, sta God dan een even eeuwi­ge zoon toe. Als u het begrijpt: wees blij. Als u het niet begrijpt: ge­loof! Want het woord van de profeet kan niet ongedaan worden ge­maakt­: "Als u het niet ge­looft, zult u het niet begrijpen." (Js 7,9 LXX).
    Uit: Aurelius Augustinus - De weg komt naar u toe: preken over teksten uit het Johannesevangelie; - Budel : Damon 2007, p. 59


26 december - gedachtenis H. Stefanus, eerste martelaar,
bij Hnd 6,8-10 en 7,54-60 uit Augustinus' sermo 314,1

Gisteren vierden wij de geboortedag van de Heer. Vandaag vieren we de geboortedag van zijn dienaar. Maar als geboortedag van de Heer vierden wij de dag waarop Hij geboren wilde worden. Als geboortedag van zijn dienaar vieren wij de dag waarop hij de overwinningskrans ontving. Als geboortedag van de Heer vierden wij de dag waarop Hij het kleed van ons vlees heeft aangenomen. Als geboortedag van zijn dienaar vieren wij de dag waarop hij het kleed van zijn lichaam heeft afgelegd. Op de geboortedag van de Heer vierden wij dat Hij aan ons gelijk is geworden. Op de geboortedag van zijn dienaar vieren wij dat hij de naaste van Christus is geworden.Want zoals Christus zich door zijn geboorte met Stefanus verbond, zo heeft Stefanus zich door zijn dood met Christus verbonden.
     Maar van onze Heer Jezus Christus gedenkt de kerk in twee plechtige vieringen de dag van zijn geboorte en die van zijn lijden en dood, omdat beide genezing brengen. Want Hij is geboren om ons opnieuw geboren te laten worden en Hij is gestorven om ons eeuwig te laten leven. De martelaren traden echter bij hun geboorte aan voor een hachelijke strijd, gebukt als zij gingen onder de last van de erfzonde. Maar bij hun dood gingen ze over tot onaantastbaar geluk en lieten ze alle zonde achter zich. Als de beloning van het komend geluk hen niet had gesterkt toen ze overgeleverd waren aan de vervolging, hoe hadden ze dan die terechtstelling met alle folteringen doorstaan?
      Als de heilige Stefanus, blootgesteld aan een regen van stenen, niet had gedacht aan de toekomstige beloning, hoe zou hij dan die hagelbui hebben doorstaan? Maar hij droeg in zijn hart het gebod van Hem die hij aanwezig zag in de hemel. Tot Hem opgetild door vurige liefde  verlangde hij zo snel mogelijk dit lichaam te verlaten en omhoog te vliegen naar Hem. Hij kende ook geen vrees meer voor de dood, want hij zag Christus levend, ook al wist hij dat Hij voor hem was gestorven. Daarom haastte hij zich ook zelf voor Hem te sterven om met Hem te leven.
      Want wat de heilige martelaar Stefanus zag, weet u zonder enige twijfel uit zijn woorden die u geregeld hoort uit de Handelingen van de Apostelen. Hij zei: "Ik zie de hemel geopend en Christus, die aan Gods rechterhand staat." (Hnd 7,56) Hij zag Jezus staan en daarom bleef hij ook zelf staan en viel hij niet. Want Hij die daar stond in de hoogte en die van boven neerzag op hem die beneden strijd leverde, gaf zijn soldaat onoverwinnelijke kracht, zodat hij niet zou vallen.
      Hij zei: "Ik zie de hemel geopend." Gelukkig de man voor wie de hemel openstond.
      Uit een nog ongepubliceerde vertaling van het Augustijns Instituut

Top
1 januari - octaafdag van kerstmis bij Lc 2,16-21
uit Ambrosius' uitleg van het Lucasevangelie 2,53

Laat die herders u niet te gewoon lijken. Ja, zo is het: hoe geringer in menselijke wijsheid, des te kostbaarder voor het geloof. De Heer heeft geen gymnasia met rijen geleerden bezocht, maar Hij ging naar het eenvoudige volk omdat dat zijn woorden niet kon opsieren of verfraaien. Er wordt immers eenvoud gevraagd en niet verlangd carrière te maken. U moet niet denken dat u de woorden van zulke profeten mag versmaden. Door herders krijgt zelfs Maria gegevens die haar geloof verhelderen. Door herders komt er volk bijeen om God te eren: de mensen stonden verbaasd over wat hun door herders werd gezegd­. (Lc 2,18)
     Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; - Budel : Damon 2005, p. 116


8 januari - openbaring van de Heer bij Mt 2,1-12
uit Augustinus' sermo 201,1

Nog maar een paar dagen geleden vierden wij de geboortedag van de Heer. Vandaag moeten wij niet minder plechtig zijn openbaring aan de heidenen vieren. Op deze dag namelijk is de Heer voor het eerst aan hen geopenbaard. Op zijn geboortedag al kregen de joodse herders de pasgeborene te zien, vandaag aanbidden de magiërs uit het oosten Hem. De pasgeborene is immers de hoeksteen, waar twee muren in vrede samenkomen, besnedenen en onbesnedenen; geen gering ver­schil in herkomst. Ze moesten met elkaar verbonden worden in Hem die onze vrede is gewor­den en die de twee één heeft gemaakt (Ef 2,14). Met de herders zijn de joden voorafgebeeld, met de magiërs de heidenen. Dat was het begin van wat in de hele wereld vrucht moest dragen en moest groeien. Laten wij deze twee dagen, die van de geboorte en die van de openbaring van onze Heer daarom van harte vieren in geeste­lijke vreugde.
      De herders, joden, werden naar Hem gebracht door de boodschap van een engel; de magiërs, heidenen, door een ster die hun de weg wees. De ster bracht de astrologen met hun ijdele berekenin­gen en voorspellingen in de war, toen zij de sterrenaanbid­ders duidelijk maakte dat zij beter de Schepper van hemel en aarde konden aanbid­den. Want Hij die bij zijn geboorte een nieuwe ster liet schijnen, ontnam bij zijn dood de zon van het oude bestel haar licht (Mt 27,45). Met het licht van de ster is het geloof begonnen, terwijl de duister­nis een aanklacht vormt tegen het ongeloof.
       Wat was dat voor een ster, die nooit eerder tussen de sterren was verschenen en die ook later niet aan het firmament bleef staan? Wat was die ster anders dan prachtige hemeltaal die de glorie van God moest verkondi­gen? (Ps 19,1) Die met ongewone schittering moest roepen over de ongewone maagdelijke bevalling. Later, toen de ster niet meer ver­scheen, moest daarvoor in de hele wereld het evangelie in de plaats komen. Wat vroegen de magiërs immers bij hun komst? "Waar is de pasgeboren koning van de joden?" (Mt 2,2) Wat betekent dat? Waren er in het verleden al niet zovelen als koning van de joden geboren? Waarom verlangden de magiërs er zo vurig naar om de koning van een vreemd volk te leren kennen en te aanbidden? "Omdat wij zijn ster in het oosten hebben gezien," zeiden ze, "en gekomen zijn om Hem onze hulde te brengen." (Mt 2,2) Zouden zij werkelijk met zoveel toewijding navraag doen en met zo'n diep gevoel van godsvrucht naar Hem verlangen, als zij in de koning van de joden niet Hem erkenden, die zelfs de koning der eeuwen is?
     Uit: Aurelius Augustinus, Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; - Baarn : Ambo 1996, p. 46


15 januari - 2de zondag door het jaar, bij Joh 1,35-42
uit Augustinus' verhandelingen over het Johannesevangelie 7,10
Wat zoeken jullie?” “Rabbi,” zeiden ze tegen Hem -  dat is in onze taal "meester"- heeft u ergens een verblijfplaats?” Hij zei: “Kom maar mee, dan zul je het zien.” Ze gingen met Hem mee en zagen waar Hij verbleef. En ze bleven die dag bij Hem. Het was ongeveer het tiende uur  (Joh 1,38-39). Nu denken we toch niet dat de evan­gelist geen reden heeft gehad om ons te vertellen hoe laat het was? Het moet toch zo zijn dat hij op die plaats onze aandacht op iets heeft willen vestigen, ons er iets achter heeft willen laten zoeken? Het was het tiende uur. Het getal tien verwijst naar de wet omdat de wet in tien gebo­den is gegeven. Maar de tijd was gekomen dat de wet zou worden vervuld door de liefde, want de joden konden haar slechts vervullen door de vrees. Daarom zegt de Heer: “Ik ben niet gekomen om de wet af te schaffen maar om die tot vervulling te brengen.” (Mt 5,17) Terecht zijn die twee dus op het tiende uur achter Hem aan gegaan, afgaand op het getuigenis van de vriend van de bruidegom. En terecht hoorde Hij op het tiende uur: “Rabbi,” hetgeen betekent: “Meester, leraar.” Als de Heer zich nu op het tiende uur leraar hoorde noemen en het getal tien betrekking heeft op de wet, kan de leraar van de wet geen ander zijn dan Hij die de wet gegeven heeft. Laat niemand beweren dat de wetge­ver en de wetsleraar twee verschillende personen zijn. Hij, die de wet gegeven heeft, legt haar zelf uit. Hij is de leraar van zijn eigen wet en onderwijst er in. Barmhartigheid ligt op zijn lippen. Daarom geeft Hij een barmharti­ge uitleg van de wet zoals geschreven staat over de Wijs­heid: “De wet en barmhartig­heid liggen op haar lippen.” (Spr 31,26) Wees niet bang dat u de wet niet kunt vervullen, neem uw toevlucht tot de barmhartigheid. Als het u teveel is de wet te vervullen, maak dan gebruik van deze afspraak, deze overeenkomst, dit smeek­schrift dat de hemelse advocaat voor u heeft opgesteld.
    Uit: Aurelius Augustinus - Geef mij te drinken: verhandelingen over het Johannesevanglie 1-23;  - Budel : Damon 2010, p. 172-173


22 januari - 3de zondag door het jaar, bij Mc 1,14-20
uit Augustinus' sermo 250,1
De Heer Jezus koos wat voor de wereld zwak is, uit om het sterke te beschamen (1 Kor 1,27). Bij het bijeenbrengen van zijn kerk uit de gehele wereld, begon Hij niet bij keizers of senatoren, maar bij vissers. Zou bij het kiezen immers voorrang zijn gegeven aan mensen met een bepaalde positie, dan zouden die dat rustig aan zichzelf durven toeschrijven en niet aan de genade Gods. Dat geheime plan van God, dat plan van onze Verlosser, wordt door de apostel Paulus uit de doeken gedaan met de woorden: "Denk maar aan uw eigen roeping" - dit zijn de woorden van de apostel - "denk maar aan uw eigen roeping, broeders en zusters, dat er naar menselijke maatstaf niet velen geleerd waren, niet velen machtig, niet velen van hoge afkomst, maar God heeft wat voor de wereld zwak is, uitverkoren om het sterke te beschamen. De keuze van God viel op het geringe en onbeduidende deel, op wat niets is, om teniet te doen wat iets is, opdat geen mens tegenover God zou roemen op zichzelf." (1 Kor 1,26-29).
       Ook de profeet Jesaja zegt dit: "Elk dal moet worden opge­hoogd, elke berg en heuvel afgegraven, oneffen plekken moeten vlak gemaakt worden." (Js 40,4) Kortom, op dezelfde wijze hebben vandaag mensen van hoge en lage rang, geleerd en onontwikkeld, arm en rijk, zonder onderscheid toegang tot de genade van de Heer. Om die genade te ontvan­gen heeft de hoogmoed geen voorrang boven de nederigheid van iemand die niets weet, niets bezit of niets betekent (2 Kor 6,10).
       En wat zei de Heer ook al weer tegen hen? "Kom, volg Mij en Ik zal u vissers van mensen maken." (Mc 1,17) Als die vissers ons niet waren voorgegaan, wie had ons dan gevangen? Nu is iemand die naar behoren weet uit te leggen waarover een visser heeft geschreven, een groot spreker. 
      Uit: Aurelius Augustinus, Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; - Baarn : Ambo 1996, p. 165


29 januari - 4de zondag door het jaar, bij Mc 1,21-28
uit Ambrosius' uitleg van het Lucasevangelie 4,58-60 
De Heer begint bij het kleinere om uit te komen bij het grotere. Ook mensen kunnen iemand van de duivel bevrijden, zij het dan wel door het woord van God. Maar gestorvenen bevel geven te verrijzen is uitsluitend voorbehouden aan Gods­ macht.
     Het mag niemand bevreemden dat in dit evangelie staat dat de duivel als eerste de naam "Jezus van Nazaret" uitsprak (Mc 1,23). Want Christus kreeg zijn naam niet van de duivel, maar een engel had die uit de hemel naar de maagd meegebracht (Lc 1,31). De duivel is echter zo onbeschaamd om zich onder mensen de primeur van iets toe te eigenen en voor hen zogenaamd als iets nieuws mee te brengen. Zo wilde hij de schrik voor zijn macht er bij hen inprenten. Ook in Genesis was hij de eerste die tegenover de mens de naam "God" noemde, want u leest daar: "De duivel zei tegen de vrouw: Heeft God werkelijk gezegd dat u van geen enkele boom in de tuin mag eten?" (Gn 3,1) Op die manier werden man en vrouw door de duivel misleid en door Christus genezen. 
     Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; - Budel : Damon 2005, p. 202-203 

Top 

5 februari -  5e zondag door het jaar, bij Mc 1,29-39
uit  Ambrosius' uitleg van het Lucasevangelie 4,58
Het is op een sabbat dat de Heer zijn genezend werk begon (Mc 1,21). Dit betekent dat de nieuwe schepping daar een aanvang nam, waar de oude destijds ophield. Dat verder de Zoon van God niet onder de wet maar boven de wet stond, wees er van het begin op dat de wet niet werd afgebroken maar vervuld (Mt 5,17). De wereld is immers niet door de wet maar door het Woord geschapen zoals wij lezen: "Door zijn Woord is de hemel gemaakt." (Ps 33,6) De wet wordt dus niet afgebroken maar vervuld om de mens die al bijna ten onder ging, zich te laten vernieuwen. Daarom zegt Paulus: "Leg de oude mens met zijn gedragingen af, bekleed u met de nieuwe mens, die geschapen is naar Christus." (Kol 3,9-10) Terecht begint de Heer op de sabbat, om te laten zien dat Hij in eigen persoon de Schepper is, om nieuwe werken in de bestaande in te vlechten en zo met zijn eigenhandig begonnen bouwsel verder te gaan. Zo begint een bouwheer als hij een huis gaat restaureren, niet met oude gedeelten af te breken bij de funderingen maar bij het dak. Zodoende gaat hij eerst daar aan de slag waar hij destijds was opgehouden.
     Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; - Budel : Damon 2005, p. 202-203

12 februari - 6e zondag door het jaar bij Mc 1,40-45
uit  Ambrosius' uitleg van het Lucasevangelie 5,5
Niet alleen de ene man wordt van melaatsheid gereinigd, maar alle mensen tegen wie wordt gezegd: "U bent al gezuiverd door het woord dat Ik u heb verkondigd." (Joh 15,3) Als dus het genees­middel tegen melaatsheid het Woord is, is onverschillig blijven tegenover het Woord in elk geval geestelijke melaatsheid. Maar deze mag niet overgaan op de geneesheer en daarom moet iedereen naar het voorbeeld van de nederige Heer grootspraak vermijden. Waarom wordt immers aanbevolen er met niemand over te praten dan om ons te leren onze weldaden niet overal bekend te maken maar verborgen te houden? (Mc 1,44) Dan kunnen wij niet alleen afzien van geldelijke vergoeding maar ook van dankbetuigingen. Of misschien gebood Jezus het stil te houden vanwege zijn voorkeur voor mensen die Hem meer zijn gaan vertrouwen uit spontaan geloof dan door hoop op weldaden.
    Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; - Budel : Damon 2005, p. 214

19 februari - 7e zondag door het jaar bij Mc 2,1-12
uit Ambrosius' uitleg van het Lucasevangelie 5,10
En zie, er kwamen enige mannen aan met op een draagbed iemand die verlamd was. Zij zochten een mogelijkheid om hem binnen te brengen en voor Jezus neer te leggen. Maar omdat ze vanwege de menigte geen kans zagen hem binnen te brengen, gingen ze het dak op en lieten hem met bed en al tussen de tegels door neer in de kring vóór Jezus. (Lc 5,18-19; vgl. Mc 2,3-4) De genezing van deze verlamde man is geen overbodige vermelding en evenmin van beperkte betekenis, want er staat in het vers ervoor dat de Heer er zelfs voor gebeden heeft, natuurlijk niet om er steun voor te krijgen, maar om een voorbeeld te geven. Hij bood ons immers een model ter navolging, Hij was niet uit op kunstgrepen om het gewenste te verkrij­gen. De beterschap van de verlamde man in kwestie staat beschreven tussen de genezingen van de overige zieken, en wel toen er ook wetsleraren bijeen waren uit alle plaatsen van Galilea en Judea en uit Jeruzalem (Lc 5,19).
      Allereerst moet iedere zieke, zoals ik al eerder heb gezegd, voorspre­kers inschakelen om door gebed redding voor hem te verkrijgen, want door hen moet het ontwrichte gebeente van ons leven en de kreupele voeten van ons doen en laten dankzij de helende kracht van het hemelse Woord worden hersteld. Er mag dus geen gebrek zijn aan geestelijke raadgevers om denken en willen van de mens, hoe ook door zwakheid van het lichaam aan de buitenkant verlamd, op te richten tot hogere dingen. Met het hulpbetoon van die voorsprekers kan men zich ook weer moeiteloos omhoog en omlaag bewegen, zich vóór Jezus laten plaatsen en het verdienen om door de ogen van de Heer te worden aangezien. Naar nederigheid immers ziet de Heer om, want Hij heeft omgezien naar zijn vernederde dienares (Lc 1,48).
    Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; - Budel : Damon 2005, p. 216

Top 

Veertigdagentijd


22 februari - aswoensdag bij Mt 6,1-6 en 16-18
uit Augustinus' verhandeling over de bergrede 2,42
Wat is de betekenis van Jezus' uitspraak: “Als u vast, zalf dan uw hoofd en was uw gezicht, opdat het bij de mensen niet opvalt dat u vast.” (Mt 6,18) Het lijkt immers niet terecht dat iemand ons voorschrijft om, terwijl we de gewoonte hebben ons gezicht elke dag te wassen, bij het vasten ook nog ons hoofd te zalven. Als iedereen erkent dat dat hoogst ongepast is, moet men het gebod om zijn hoofd te zalven en zijn gezicht te wassen laten slaan op het innerlijk van een mens. Het hoofd zalven slaat dan op de blijdschap, het gezicht wassen op de zuiverheid. Iemand die zich innerlijk verheugt, geestelijk en verstandelijk, zalft zijn hoofd. ...
     Iemand die vast moet daar dus een geestelijk genoegen aan beleven, en wel doordat hij zich door het vasten afkeert van werelds genot en zo ondergeschikt is aan Christus, die volgens dit voorschrift verlangt dat wie vast zijn hoofd heeft gezalfd. Zo zal hij ook zijn gezicht wassen, met andere woorden: zijn hart zuiveren. Met een gezuiverd hart zal hij God zien, niet gehinderd door een sluier van ziekte die hij opgelopen heeft in het vuil, maar kerngezond en krachtig omdat hij zuiver en oprecht is. “Was u, reinig u!” staat er geschreven. “Doe weg de misdaden uit uw gedachten; uit mijn ogen ermee!” (Js 1,16) Dat vuil moet dus van ons gezicht worden gewassen: het kwetst de ogen van God. Want door met onverhuld gelaat de glorie van de Heer te aanschouwen zullen wij herschapen worden zodat wij op Hem gaan gelijken (2 Kor 3,18).
    Uit: Aurelius Augustinus – Het huis op de rots: verhandeling over de bergrede  [De sermone Domini in monte]. – p.154-155 (= serm.dom.m. 2,42)


26 februari - 1e zondag van de veertigdagentijd (bij Mc 1,12-15)
uit Augustinus' sermo 208,1
De tijd is weer aangebroken om u, geliefden in de Heer, zoals ieder jaar aan te vuren en aan te sporen. Toegegeven, ook al zeg ík helemaal niets, deze tijd alleen al is voldoende om u aan te vuren en aan te sporen om u vuriger en geestdriftiger dan anders te wijden aan het vasten, het bidden en het geven van aalmoezen. Mijn preek zal u daarbij nog helpen. Dan kan uw geest ook door het klaroengeschal van mijn stem zijn krachten bundelen om zich teweer te stellen tegen de verlan­gens van het vlees. L­aat uw vasten dus zonder ruzie zijn, zonder getier en bloed­ver­gieten. Zo kunnen ook degenen die zich onder uw juk bevinden, de ontspann­ing ervaren, die een vei­lig gevoel geeft en weldadig is. Zo kan men een ongenadige strengheid beteu­gelen zonder de heil­zame tucht te laten varen.
      Maar wan­neer u zich onthoudt van bepaalde spijzen om uw lichaam te bedwingen - ook al gaat het om eten dat is toegestaan - bedenk dan dat voor de reinen alles rein is (Hnd 10,15 en 11,9). U hoeft niets als on­rein te beschou­wen, behalve dat wat door onbetrouwbaarheid bezoedeld is. De apostel Paulus zegt immers: "Voor hen die besmet en onbe­trouw­baar zijn, is niets rein." (Tit 1,15) Maar wanneer gelovigen hun l­ichaam volkomen dienst­baar maken, komt al wat op het lichamelijk genot in minde­ring wordt ge­bracht, het gees­telijke wel­zijn ten goede. En daarom moet u ervoor waken er niet op uit te zijn de ene dure spijs door de andere te ver­vangen, of - erger nog - op zoek te gaan naar spijzen zonder vlees, maar dan duurdere. Wanneer u immers het lichaam tuchtigt en volkomen dienst­baar maakt, dient u het genot te ­matigen, niet te veranderen. Wat maakt het nu uit bij wat voor eten u het verwijt toegespeeld krijgt van onmatige begeer­te? De begeerte van de Israëlieten is in geen geval al­leen om het eten van vlees veroor­deeld door de stem van God (Nu 11,33). Het ging toch ook om bepaalde vruchten van boom en veld. En Esau verloor zijn eerst­geboorterecht niet om een va­rkenspoot, maar om lin­zensoep (Gn 25,30). Om maar te zwij­gen over wat de Heer, toen Hij honger had, de verleider antwoordde, met name over het brood (Dt 8,3). De Heer was zeker niet zijn eigen vlees aan het temmen, alsof het opstan­dig zou zijn. Wel probeerde Hij ons in zijn barm­har­tigheid te laten zien wat wij bij dergelijke verlei­din­gen moeten antwoor­den.
      Daarom, veelgelief­den, van welk voed­sel u zich ook wilt onthouden, denk eraan dat u uw voornemen uitvoert met vrome bescheiden­heid, en dat u niet op grond van een dwalende goddeloosheid ver­oordeelt wat God heeft geschapen. Daar komt bij, voor wie van u gebonden is aan een echtge­noot of echtgenote, sla vooral in deze tijd de ver­maningen van de apos­tel Paulus niet in de wind. Sta elkaar toe voor een bepaalde tijd in onthouding te leven om u aan het gebed te wijden ( 1 Kor 7,5). Deze onthouding kan ook op andere dagen voordeel hebben, maar men zou zich moeten schamen als men die nu niet zou kunnen opbrengen. Naar mijn mening hoeft het geen al te grote opgave te zijn, dat gehuw­den jaarlijks op bijzonde­re dagen datgene doen, wat weduwen hebben beloofd vanaf een bepaalde periode van hun leven, en wat gewijde maag­den voor heel hun leven op zich hebben geno­men.
     Uit: Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; - Baarn : Ambo 1996, p. 60


4 maart - 2e zondag van de veertigdagentijd bij Mc 9,2-10
uit  Augustinus' sermo 79
Toen uit het heilig evangelie werd gelezen, hoorden we over het gro­te visi­oen op de berg, waar de Heer Jezus zichzelf liet zien aan drie van zijn leerlin­gen: Petrus, Jacobus en Johannes. Zijn gelaat begon te stralen als de zon (Mt 17,2). Dat wijst op het heldere licht van het evangelie. Zijn kleed werd wit als sneeuw (Mc 9,3 en Mt 17,2). Dat wijst op de zuive­ring van de kerk. Te­gen de kerk werd immers bij monde van de profeet Je­sa­ja ge­zegd: "Al waren uw zonden als scharlaken, Ik zal ze zo wit maken als sneeuw." (Js 1,18)
      Elia en Mozes spraken met de Heer (Mc 9,4): ­­­de wet en de pro­fe­ten getuigen van de genade van het evangelie. Mo­zes ver­tegenwoordigt de wet, Elia de profeten.  (...) Petrus vond dat er drie tenten moesten komen, een voor Mozes, een voor Elia en een voor Christus. De een­zaam­heid van de berg be­viel hem wel. De gejaagdheid van het menselijk bestaan, het hing hem de keel uit. Maar die drie tenten, waarom stelt hij drie tenten voor? Het lijkt erop ­dat hij nog niet wist dat de wet, de profeten en het evan­gelie een eenheid vormen. Uiteindelijk werd hij door een wolk ­op zijn vergissing gewezen. "Nog ter­wijl hij deze woorden sprak," staat er, "overscha­duw­de hen een lichtende wolk." (Mc 9,7) Zie je wel! Die wolk vormt één tent. Waarom wil jij er dan drie, Petrus?
      En er klonk een stem uit de wolk: "Dit is mijn ge­lief­de Zoon, in wie Ik vreugde vind. Luister naar Hem." (Mc 9,7) Elia spreekt ook, maar luisteren moet u naar Jezus. Mo­zes spreekt ook, maar luisteren moet u naar Jezus. De pro­feten spre­ken, de wet spreekt, maar luisteren moet u naar Jezus. Hij is de stem van de wet en de tong van de pro­fe­ten. In hen klonk Hij. Op een mo­ment dat Hijzelf verkoos, verscheen Hij in eigen persoon. Luister naar Hem. Laten we naar Hem luis­teren, ja. U hebt het evan­gelie horen spreken. Denk eraan, dát was de wolk waaruit een stem voor ons klonk. Laten we luisteren naar Hem. La­ten we doen wat Hij zegt, en hopen op wat Hij belooft.
     Uit: Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs; - Budel : Damon 2011 (2de dr), p. 420-421


11 maart - 3e zondag van de veertigdagentijd, bij Joh 2,13-25
uit Augustinus' verhandelingen over het Johannesevangelie 10,6
Als we op zoek willen gaan naar het geheim dat in de feiten ligt besloten, wie zijn dan degenen die runderen verkopen? En degenen die de schapen verkopen en de duiven? Dat zijn zij die hun eigen belang zoeken in de kerk, niet het belang van Jezus Christus (Fil 2,21). Ze beschouwen alles als koopwaar, maar willen niet worden vrijgekocht. Ze willen niet gekocht worden, maar ze willen wel verkopen. Het zou goed voor hen zijn als ze met het bloed van Christus werden vrijgekocht zodat ze tot de vrede van Christus kunnen komen. Want wat voor zin heeft het om in deze wereld te verwer­ven wat tijdelijk en vergankelijk is: geld, genot voor maag en mond of aanzien ontleend aan menselijk eerbetoon? Dat is toch allemaal rook en wind? Dat gaat toch allemaal voorbij, in een ommezien? En wee hun die zich hechten aan wat voorbijgaat, want zij gaan tegelijk voorbij. Is dat alles niet een snelstromende rivier die zich in zee stort? Wee degene die daarin valt, want hij wordt meegesleurd naar zee.
     Wij moeten dus al onze gevoelens verre houden van zulke begeerten. Mijn broeders en zusters, wie dat soort dingen zoekt, dát is een verko­per. Jazeker, ook die Simon wilde de Heilige Geest kopen, omdat hij de Heilige Geest wilde doorverkopen (Hnd 8,18-19) en hij dacht dat de apostelen net zulke handelaren waren als degenen die door de Heer met een zweep uit de tempel werden gejaagd. Hij was namelijk zelf zo iemand. Hij wilde kopen wat hij kon doorverkopen. Hij behoorde tot de verkopers van de duiven. De Heilige Geest is immers verschenen in de gedaante van een duif (Mc 1,10). En wie verkopen er nu duiven, broeders en zusters, wie anders dan degenen die zeggen: “Wij bieden u de Heilige Geest”? Waarom beweren zij dat toch en welke prijs vragen ze voor hun koopwaar? Die prijs is eerbetoon. Ze ontvangen vergankelijke erezetels als prijs en zo kan iedereen zien dat ze duiven verkopen. Laten ze maar oppassen dat ze niet een pak slaag met de touwen krijgen! De Duif is niet te koop. Hij wordt gratis gegeven omdat hij “genade” wordt genoemd.
      Mijn broeders en zusters, deze mensen gaan net zo te werk als die verkopers, die marktkooplui die je wel ziet: ieder prijst aan wat hij te koop heeft. Wat hebben ze allemaal niet in de aanbieding? (...)Gaat er dus iemand de verkopers langs om een duif te kopen, dan prijst ieder zijn uitgestalde koopwaar aan. Laat hij zich in zijn hart afwenden van al die verkopers en laat hij komen waar de Duif gratis is te krijgen.
      Uit: Aurelius Augustinus - Geef mij te drinken: verhandelingen 1-23 over het Johannesevangelie; - Budel: Damon 2010, p. 226-227


18 maart - 4e zondag van de veertigdagentijd, bij Joh 3,14-21
uit Augustinus' verhandelingen over het Johannesevanglie 12,11
Waar staan die bijtende slangen voor? Voor de zonden van het sterfelij­ke vlees. Waar staat die opgerichte slang voor? Voor de dood van de Heer aan het kruis. Omdat de dood immers door een slang is ontstaan, is de dood ook door de afbeelding van een slang voorgesteld. De beet van die slang bracht de dood, de dood van de Heer brengt leven. Men vestigt zijn blik op de slang om te bereiken dat de slang machteloos wordt. Wat wil dat zeggen? Men vestigt zijn blik op de slang om te bereiken dat de dood machteloos wordt. Maar op wiens dood vestigt men dan zijn blik? Op de dood van het leven, als je tenminste kunt spreken van de dood van het leven. Ja, omdat je dat kunt zeggen is het te meer een wonderlijke uitspraak. Of mag soms niet worden gezegd wat er moest gebeuren? Zou ik aarzelen om onder woorden te brengen wat de Heer voor mij heeft willen doen? Is Chris­tus soms niet het leven? En toch hangt Hij aan het kruis. Is Christus soms niet het leven? En toch is Hij gestorven. Maar in de dood van Christus is de dood gestorven, omdat het leven door te sterven de dood heeft omgebracht: de volheid van het leven heeft de dood opgeslokt, de dood is verslonden in het lichaam van Christus (1 Kor 15,54). Zo zullen ook wij het bij de opstanding zeggen wanneer we eindelijk in triomf zingen: “Dood, waar is je overwin­ning? Dood, waar is je angel?” ( 1 Kor 15,55)
      Maar voor het zover is moeten wij, broe­ders en zusters, opzien naar de gekruisigde Christus om van de zonde te worden genezen. Want de Schrift zegt: “Zoals Mozes in de woestijn de slang heeft omhooggeheven (Nu 21,8-9), zo moet ook de mensenzoon omhoog worden geheven, zodat ie­dereen die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft.” (joh 3,14-15) Zoals de mensen die hun blik vestigden op die slang, niet stierven aan de slangen­beet, zo worden zij die in geloof hun blik vestigen op de dood van Christus, genezen van de beten van de zonden. Die mensen van destijds werden echter van de dood gered om nog een beperkte tijd te kunnen leven, maar hier zegt de Heer: zodat zij eeuwig leven heb­ben. Dat is namelijk het verschil tussen het beeld en de werkelijkheid. Het beeld schonk leven voor een beperkte tijd maar de werke­lijkheid waarvan dat het beeld was, schenkt eeuwig leven.
     Uit: Aurelius Augustinus - Geef mij te drinken: verhandelingen 1-23 over het Johannesevangelie; - Budel: Damon 2010, p. 266-267


25 maart - 5e zondag van de veertigdagentijd, bij Joh 12,20-33
uit Augustinus' sermo 368,1
Broeders en zusters, toen zojuist het evangelie werd voorgelezen hoorden wij de Heer zeggen: "Wie zijn ziel liefheeft, verliest hem."(Joh 12,25)  Deze uitspraak lijkt in tegenspraak met die van de apostel Paulus: "Niemand heeft ooit zijn eigen lichaam gehaat."(Ef 5,29)  Als niemand ooit zijn eigen lichaam heeft gehaat, dan heeft al helemaal niemand ooit zijn eigen ziel gehaat. De ziel is toch veel belangrijker dan het lichaam. De ziel is de bewoner, het lichaam de woning. De ziel is de meester, het lichaam de knecht. De ziel is de leider, het lichaam de ondergeschikte. Als niemand ooit zijn eigen lichaam heeft gehaat, wie kan dan ooit zijn eigen ziel gehaat hebben?
     Daarom is het geen geringe kwestie die de evangelielezing van vandaag ons heeft voorgelegd. We hoorden: "Wie zijn ziel liefheeft, verliest hem." (Joh 12,25) Het is gevaarlijk om van je ziel te houden: dan gaat hij verloren. Als het gevaarlijk is om van je ziel te houden, omdat die dan verloren kan gaan, moet je er dus niet van houden. Je wilt toch niet dat hij verloren gaat? Maar ja, als je niet wilt dat hij verloren gaat, houd je ervan! Hoe zit dat? Als ik van mijn ziel houd, verlies ik hem. Ik moet er dus niet van houden om hem niet te verliezen. Omdat ik bang ben hem te verliezen houd ik er niet van. Maar als ik iets niet wil verliezen, dan houd ik daar toch van?
     Op een andere plaats zegt de Heer: "Wat zal het een mens baten als hij de hele wereld wint, maar schade lijdt aan zijn ziel?" (Mt 16,26) Kijk, je moet zo van je ziel houden dat je die boven het winnen van de hele wereld stelt. Van de andere kant, wie van zijn ziel houdt moet uitkijken, want als hij ervan houdt verliest hij hem. Je wilt je ziel niet verliezen? Dan mag je er niet van houden. Maar als je hem niet wilt verliezen dan móet je er wel van houden.
     Uit: Aurelius Augustinus - De weg komt naar u toe: preken over teksten uit het Johannesevangelie; - Budel: Damon, 2011, p. 343

1 april - 6de zondag van de veertigdagentijd - Palmzondag, bij Mc 11,1-10
uit Ambrosius' uitleg van het evangelie volgens Lucas 9,11
Leer van Gods huisgenoten om Christus te dragen (Ef 2,19), omdat Hij u het eerst heeft gedragen toen Hij als herder het dolende schaap terugbracht­ (Lc 15,4-7). Leer goedwillig Hem de rug van uw geest aan te bieden. Leer u onder Christus te houden om de wereld te boven te komen. Het is niet zomaar iedereen gegeven Christus met gemak te dragen, maar wel wie kan zeg­gen: "Ik ben uitgeput, totaal gebroken, ik kan wel schreeuwen, zó bonst mijn hart." (Ps 38,9) Als u niet aan het wankelen gebracht wilt worden, was dan uw voeten schoon en zet ze op de kle­ren van de heiligen. Pas ervoor op om met vuile voeten door te lopen. Pas ervoor op dwars tegen de keer in te gaan en af te wijken van de routes die de profeten voor u plaveiden. Want voor de komende geslachten moest er een veiliger weg openliggen. Daarom hebben de mensen die vóór Jezus uit gingen, met eigen kleren het pad begaanbaar gemaakt tot aan Gods tempel toe (Mc 11,8). U moest zonder hinder lopen en dus hebben de leerlingen van de Heer de mantel van het eigen lichaam­ afgelegd en door hun marteldood een weg gebaand te midden van de vijandige menigten. Wil men het niettemin zo opvatten dat dit veulen al bovenop de kleren van de joden stapte, dan hebben we daartegen geen bezwaar.
     Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; - Budel : Damon 2005, p. 460-461

Top 

Pasen

 

5 april - Witte Donderdag, bij Johannes 13,1-15
uit Augustinus' verhandelingen over het evangelie volgens Johannes 55,4
Eigenlijk was het geen wonder dat Jezus van tafel opstond en zijn kleren aflegde. Hij was het immers die in de gestalte van God zichzelf ontledigd had (Fil 2,6). Geen wonder dat hij zich met een linnen slavenschort omgordde. Toen Hij de gestalte van een slaaf had aangenomen, werd Hij immers als een mens beschouwd (Fil 2,7). Geen wonder dat Hij water in een waskom goot om er de voeten van de leerlingen mee te wassen. Hij heeft immers zijn eigen bloed over de aarde vergoten om er het vuil van de zondaars mee weg te spoelen. Geen wonder dat Hij met de doek waarmee Hij was omgord, de gewassen voeten heeft afgedroogd. Hij had immers met het lichaam waarmee Hij was bekleed, de schreden van zijn evangelieverkondigers versterkt. Toen Hij zich de linnen doek omdeed, heeft Hij de kleren afgelegd die Hij aanhad. Maar toen Hij zich ontledigde in de gestalte van een slaaf, heeft Hij niet afgelegd wat Hij bezat, maar aangenomen wat Hij niet bezat. Toen Hij gekruisigd ging worden, is Hij opmerkelijk genoeg wel beroofd van zijn kleren en na zijn dood in linnen doeken gewikkeld. Heel dat lijden is een schoonwassen van ons. Het stervensceremonieel dat Hij binnenkort zou onder­gaan, heeft Hij dus als dienstbetoon van tevoren zelf verricht.
    uit: een nog te publiceren vertaling van het Augustijns Instituut.

6 april - Goede Vrijdag, bij Johannes 18,1-19,42
uit Augustinus' sermo 218,1-2 en 13
Men gelooft terecht dat de Heer met iedere afzonderlijke daad die tijdens zijn lijden is verricht en beschreven, een bedoeling heeft gehad, omdat Hij juist in het sterfelijke vlees alles niet uit noodzaak heeft doorstaan maar uit vrije wil. Ten eerste dat Hij na te zijn overgeleverd om te worden gekruisigd, zelf zijn kruis droeg (Joh 19,16-17). Daarmee gaf Hij ons een toonbeeld van zelfbeheersing. Door ons daarin voor te gaan liet Hij zien wat iemand moet doen die Hem wil volgen. Daarop wees Hij ons ook met een uitspraak toen Hij zei: "Wie rnij liefheeft, moet zijn kruis opnemen en Mij volgen (Mt 16,24; Mc 8,34; Lc 9,23)." Wie immers op een goede manier zijn sterfelijk leven leidt, neemt in zekere zin zijn kruis op. ... Verder dat bij de andere twee gekruisigden de benen werden gebroken, maar bij Jezus niet, omdat Hij al was overleden (Joh 19,31-33). Waarom dat zo is, verklaart het evangelie zelf. Het kon immers geen kwaad dat Hij ook met dat teken zou laten zien — in de profetie die eerder over Hem was verkondigd — dat aan het Paasfeest van de joden moest worden gedacht. Een van de voorschriften daarbij was dat de beenderen van het lam niet mochten worden gebroken (Ex 12,46, Nu 9,12).
    Uit: Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; - Baarn : Ambo 1996, p. 91-92 en 94.

7/8 april - Paasnacht
uit Augustinus' sermo 229G,2
Wakker blijven is geen kunst! Bandie­ten blijven immers ook wakker, maar ze hebben er wel een andere bedoeling mee. Ze houden zich schuil tot de mannen slapen en willen dan bij de vrouwen komen onder de duistere medeplichtigheid van de nacht. Ook de beoefenaars van zwarte kunst blijven wakker, maar dan wel om demonen te dienen en met hun hulp schandelijke daden te verrich­ten. Het voert te ver en het is ook niet nodig te vermelden, waarom al dat tuig wakker blijft.
      Toch zijn er ook voorbeelden te noemen van mensen die met eerlijke bedoelingen wakker blijven: ambachtslieden, boeren, schip­pers, vissers, reizigers, handelaars, allerlei leidinggevenden, rech­ters, advocaten, in- en verkopers van boeken, bazen en onderge­schik­ten, en met welke tak van techniek, wetenschap of nijverheid een mens zijn leven ook doorbrengt. Maar dat doet hij wel met de bedoe­ling dat de aarde gemakkelijker en menswaar­diger bewoond kan worden door haar bewoners, die snel als een adem­tocht weer verdwij­nen.
      Kortom, allen die 's nachts waken, hebben een doel. Als het een ongeoor­loofd doel is, worden zij veroor­deeld tot de eeuwige dood; als het een geoor­loofd doel is, wordt het teniet gedaan door de tijdelij­ke dood. Christus nu is het doel van de wet tot gerech­tigheid voor ieder die ge­looft (Rom 10,4). Wij waken door naar Christus te kijken. Hij is het doel van de volmaakt­heid. Hij bevrijdt ons van een einde dat veroorde­ling of vernie­tiging inhoudt. De mensen die ik zojuist noemde, blijven wakker met een eerlijke of oneerlijke bedoe­ling: zij kijken en streven wel naar een doel, maar hún doel is vergankelijk, óns doel kent geen einde. Uitein­delijk waken zij zonder dat ze de volmaakte rust zullen vinden in waar ze naar uitzien. Wij waken en bidden dat we niet op de bekoring ingaan (Mt 26,41). Zo overwin­nen wij immers de belager op onze levens­reis. Zo bereiken wij de Heiland, bij wie we voor altijd de volmaakte rust zullen vinden.
     Uit: Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; - Baarn : Ambo 1996, p. 115-116. 

8 april - Paaszondag bij Johannes 20,1-18
[tijdschriftartikel] Het bericht van Maria Magdalena over Jezus' leeggehaalde graf werkt op een interessante manier door in het Johannesevangelie. Op haar bericht snellen twee mannelijke leerlingen naar Jezus' graf. De ene leerling van wie Jezus hield kwam als eerste aan en ziet voorovergebukt de zwachtels liggen. Vervolgens komt ook Petrus bij het graf, gaat naar binnen en ziet behalve de zwachtels de zweetdoek elders opgerold. Dan gaat ook de andere leerling naar binnen: hij ziet en gelooft. Augustinus zegt daarover: "Sommige mensen letten hier niet goed op en denken dan dat Johannes toen is gaan geloven dat de Heer was verrezen. Maar het vervolg wijst daar niet op.  Wat moet anders die volgende zin? 'Want zij hadden nog niet begrepen wat er geschreven stond dat Jezus namelijk uit de doden moest opstaan?' (Joh 20,9) Johannes die niet wist dat Jezus moest opstaan, heeft dus niet geloofd dat Hij al was opgestaan. Wat zag en geloofde hij dan wel? Hij zag het graf leeg en geloofde wat Maria Magdalena had gezegd: 'Ze hebben de Heer weggehaald uit het graf.' (Joh 20,2). Zij hadden immers nog niet begrepen wat er geschreven stond dat Hij namelijk uit de doden moest opstaan." (Verhandeling over het evangelie volgens Johannes 120,9). Augustinus legt Joh 20,8-9 dus uit met behulp van Joh 20,2! Die uitleg heeft waarschijnlijk om minstens twee redenen enige irritatie opgeroepen. Het eerste probleem is dat de leerling Johannes en wellicht ook Petrus zich in hun interpretatie van wat zij zien, laten leiden door het getuigenis van één persoon, en nog wel van een vrouw. Dat is ongewoon in een wereld waar een getuigenis pas rechtsgeldig was van minstens twee personen (Nu 35,30, Dt 19,15 en Joh 8,7) en dat zullen in de wereld van toen wel mannen geweest moeten zijn. Het tweede probleem is dat de twee belangrijke mannelijke leerlingen op grond van wat zij zien, volgens de uitleg van Augustinus niet meteen tot het inzicht komen dat de Heer is verrezen, maar eerst gaan geloven wat Maria Magdalena hun heeft gezegd. Augustinus' uitleg moet het in de geschiedenis van de bijbeluitleg nogal eens afleggen tegen een andere. Daarin komen Petrus en die andere leerling anders dan Maria Magdalena wel tot het geloof in de verrijzenis van de Heer. Dat zij de Schriften nog niet hadden begrepen, slaat dan op het feit dat zij eerst moesten zien om te kunnen geloven. Wie de Schriften begrijpt, gelooft eerst om te kunnen zien. Toch blijft de uitleg van Augusitnus de moeite van het bewaren waard. Hij doet recht aan de bijzondere positie van Maria Magdalena in haar liefde en genegenheid voor de Heer en schept klaarheid in haar positie ten opzichte van Petrus en de andere leerling.
   Uit: Hans van Reisen, 'Verrezen tot leerlinge van de Heer: Maria Magdalena in de verkondiging van Augustinus' Tijdschrift voor Liturgie 79 (1995) 3, p. 98-110.

9 april - tweede Paasdag, bij Matteüs 28,8-15
uit Augustinus' sermo 229F,1
Sommige mensen hebben de verrijzenis van de Heer gezien, anderen hoorden erover vertellen, maar hechtten er geen geloof aan (Mt 28,11) Zij worden dan ook terechtgewezen door de Heer in eigen persoon, omdat zij geen geloof hechtten aan de verhalen van hen die het zagen en erover vertelden. Wat een geweldige gunst schonk God met zijn terecht­wijzing aan de volkeren en aan de mensen die veel later zijn geboren! Wat schonk God dan aan de mensen die nu de kerken van Christus vullen? De heilige apostelen hebben aan Chris­tus' zijde gelopen. Zij hebben het woord van de waar­heid uit zijn eigen mond vernomen. Zij hebben Hem doden zien opwek­ken. Toch geloofden zij niet dat de Heer was verrezen. En wij dan? Wij zijn veel later geboren en hebben Hem nooit in levenden lijve gezien. Wij hebben Hem zelf nooit een woord horen spreken. Wij hebben met onze eigen ogen Hem geen enkel wonder zien verrichten. En toch geloofden wij wel toen wij de g­eschriften hoorden voorlezen van hen die destijds niet wilden geloven. De allerlaatste gebeurtenis die hun werd verteld, geloofden ze niet. Zij hebben het beschreven om het ons te laten lezen. Wij hebben het gehoord en wij geloven.
      Uit: Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; - Baarn : Ambo 1996, p. 119-120.

Top 

Paastijd 

 

9 april - tweede Paasdag, bij Matteüs 28,8-15
uit Augustinus' sermo 229F,1
Sommige mensen hebben de verrijzenis van de Heer gezien, anderen hoorden erover vertellen, maar hechtten er geen geloof aan (Mt 28,11) Zij worden dan ook terechtgewezen door de Heer in eigen persoon, omdat zij geen geloof hechtten aan de verhalen van hen die het zagen en erover vertelden. Wat een geweldige gunst schonk God met zijn terecht­wijzing aan de volkeren en aan de mensen die veel later zijn geboren! Wat schonk God dan aan de mensen die nu de kerken van Christus vullen? De heilige apostelen hebben aan Chris­tus' zijde gelopen. Zij hebben het woord van de waar­heid uit zijn eigen mond vernomen. Zij hebben Hem doden zien opwek­ken. Toch geloofden zij niet dat de Heer was verrezen. En wij dan? Wij zijn veel later geboren en hebben Hem nooit in levenden lijve gezien. Wij hebben Hem zelf nooit een woord horen spreken. Wij hebben met onze eigen ogen Hem geen enkel wonder zien verrichten. En toch geloofden wij wel toen wij de g­eschriften hoorden voorlezen van hen die destijds niet wilden geloven. De allerlaatste gebeurtenis die hun werd verteld, geloofden ze niet. Zij hebben het beschreven om het ons te laten lezen. Wij hebben het gehoord en wij geloven.
     Uit: Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; - Baarn : Ambo 1996, p. 119-120

15 april  - tweede zondag van de Paastijd, bij Joh 20,19-31
uit Augustinus' sermo 247,2
De evangelielezing spoort ons aan om een woord te wijden aan de vraag hoe de Heer, die in zo'n concreet lichaam verrees dat Hij door zijn leerlingen niet alleen kon worden gezien maar ook aangeraakt, aan hen kon verschijnen ondanks de gesloten deuren. Sommigen worden hierdoor namelijk zo aan het twijfelen gebracht, dat ze bijna in gevaar zijn doordat ze de vooroordelen van hun eigen redene­ringen inbrengen tegen de goddelijke wonderen. Zij redeneren als volgt. Als er sprake was van een lichaam, van vlees en bot­ten, als dat wat aan het kruis heeft gehangen uit het graf is verrezen, hoe kon dat dan door gesloten deuren binnenkomen? Als dat niet kon, dan is het - zeggen ze - ook niet gebeurd. Als het wel kon, hoe dan wel?... Denk eens terug aan de wonde­ren van uw Heer vanaf het begin van zijn leven en probeer ze mij eens één voor één te verklaren. Zonder dat een man haar benaderde, werd een maagd zwanger (Lc 1,31-34) Leg mij eens uit hoe een maagd zonder man zwanger kon worden. ... Zie je wel, daar heb je al één wonder: de ontvangenis van de Heer. Luister ook naar het tweede wonder: de bevalling. Een maagd heeft gebaard en is toch maagd gebleven. Toen al, vóór zijn verrijzenis, is de Heer als het ware door gesloten deuren heen ter wereld gekomen!
     Uit: Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; - Baarn : Ambo 1996, p. 163.

22 april - derde zondag van de Paastijd, bij Lucas 24,35-48
uit Augustinus' sermo 229J,5
Hij heeft overtuigend bewezen dat Hij het hoofd is. Wat betekent dat voor ons? Wat betekent dat voor het lichaam? Christus is het hoofd, de kerk is het lichaam Kol 1,18). De apostelen hebben wel het hoofd gezien, maar de toekomstige kerk zagen ze niet. Let op, ze zagen het hoofd, ze raakten het aan, ze omhelsden het en gingen met het hoofd om. Maar de toekomstige kerk zagen zij niet. Waar blijven wij dan? Op de een of andere manier moest Hij zowel de bruidegom als de bruid uitdrukkelijk vermelden in de gebruikelijke huwelijksakte. Omdat Hij wel de bruidegom liet zien, maar zweeg over de bruid, is het in feite een halve bruiloft. Mogen de hemelse beloften worden vervuld. De bruidegom is verschenen, moge ook de bruid verschijnen. Híj is al aanwezig, zíj is toekomst: Hij in de verrijzenis, zij in de prediking. De apostelen moesten de bruidegom zien en moesten in de bruid geloven. Hoe is Hij gezien? Kijk maar, een geest heeft geen vlees en beenderen zoals u ziet dat Ik heb (Lc 24,39). Vervolgens maakte Hij hun geest toegankelijk. De Christus moest lijden en op de derde dag verrijzen (Lc 24,46). Wij zien de Heer nu, wij kennen de Heer nu, wij raken Hem aan, wij horen Hem en geloven. Waar blijft de kerk dan? In zijn naam moet bekering tot vergiffenis van de zonden gepredikt worden (Lc 24,47). Waar moet gepredikt worden en tot hoever? Laat niet een vreemde bruid uit een of andere uithoek naar voren komen en ten onrechte de plaats van de uwe innemen. Waar en tot hoever? Onder alle volken, te beginnen met Jeruzalem. Ziet u, wat u hoorde, daarmee wordt de kerk bedoeld. Maar toen de leerlingen die dingen hoorden, zagen ze niet een kerk verspreid onder alle volken. Ze zagen het één en geloofden in het andere. Zij zagen het hoofd en geloofden in het lichaam. Wij zien het lichaam en moeten geloven in het hoofd.
     Uit: Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; - Baarn : Ambo 1996, p. 126-127.

29 april - vierde zondag van de Paastijd, bij Johannes 10,11-18
uit Augustinus' sermo 137,4
Toen het evangelie werd voorgelezen hebt u het gehoord: "Wie door de deur naar binnen komt is de herder. Wie ergens anders naar binnen klimt is een dief en een rover. Die probeert alleen maar om het vee te verspreiden en uiteen te drijven en mee te nemen." (Joh 10,2.8-10) Wie komt binnen door de deur? Hij die binnenkomt door Christus. Wie is dat dan? Hij die het lijden van Christus navolgt en de nederigheid van Christus erkent. Ook al is God voor ons mens geworden, wij mensen moeten erkennen dat we zelf geen God zijn maar mensen. Wie God wil lijken terwijl hij mens is, is geen navolger van Hem die mens werd hoewel Hij God was.
     Er is u niet gezegd: "Wees kleiner dan u bent," maar: "Erken wat u bent. Erken dat u zwak bent, een mens, een zondaar. Erken dat de Heer rechtvaardig maakt en dat u bevlekt bent." Toon bij uw belijdenis de vlekken van uw hart, dan zult u bij de kudde van Christus horen. Wie zijn zonden belijdt vraagt aan een dokter om hem te genezen. Het gaat net als bij ziekte: wie zegt "ik ben gezond" gaat niet op zoek naar een dokter. (...) Mensen die zich verheffen willen langs een andere kant de schaapskooi binnenklimmen. Mensen die zich vernederen komen door de deur de schaapskooi binnen. Daarom wordt van de een gezegd "hij komt naar binnen" en van de ander "hij klimt naar binnen". Wie klimt, wie de hoogte zoekt, u ziet het voor u, komt niet binnen maar valt binnen. Maar wie zich bukt om door de deur naar binnen te gaan valt niet binnen, nee, hij is de herder.
      Uit: Aurelius Augustinus - De weg  komt naar u toe: preken over het Johannesevangelie; - Budel : Damon 2007, p. 248-249.

6 mei - vijfde zondag van de Paastijd, bij Johannes 15,1-8
uit Augustinus' sermo 125A5
Wij eren God en God eert ons. Dat ik zeg "wij eren God" ac­cepteert iedereen. Dat ik zeg "God eert ons" stuit deze of gene mis­schien tegen de borst. Wij eren Hem, en Hij eert ons niet? Voor ons is het goed dat Hij ons eert door voor ons te zorgen. Want als Hij deze akker niet zou verzorgen raakt die vol doornen. Wat is een boer anders dan iemand die zijn ak­ker verzorgt? Luister dus naar Christus de Heer. Schrik niet als ­Hij zegt dat God u eert. Hij zegt: "Ik ben de wijnstok, jullie zijn de ran­ken en mijn Vader is de wijnboer (Vgl. Joh 15,1-8)." Dus wij eren God zodat we vruchtdragen en Hij eert ons door voor ons te zorgen. In beide gevallen gaat het om onze vruch­ten. We worden van on­vruchtbaar vruchtbaar en vrucht­dra­gend gemaakt. Droog en dor­stig als we zijn worden we door Hem gelaafd: een bron die niet kan op­drogen. Dat gebeurt allemaal voor ons. Laten we dank brengen aan Hem die ons heeft geschapen en ons heeft geroe­pen om met Hem te heersen.
     Uit: Aurelius Augustinus - De weg  komt naar u toe: preken over het Johannesevangelie; - Budel : Damon 2007, p. 111.

13 mei - zesde zondag van de Paastijd, bij Johannes  15,9-17
uit Augustinus' verhandeling over het Johannesevangelie 86,3
U moet eens zien, lieve mensen, hoe Christus geen mensen uitkiest die van zichzelf goed zijn.  Nee, de mensen de Heer uitkiest, maakt Hijzelf tot goede mensen. Hij zegt: "Ik heb jullie uitgekozen en Ik heb jullie de taak gegeven om je op weg te begeven en  vruchten voort te brengen die blijvend mogen zijn." (Joh 15,16) Op die vruchten doelde Hij toch toen Hij eerder zei: "Los van Mij kunnen jullie niets (Joh 15,5.)" Hij heeft ons dus uitgekozen en gemaakt om ons op weg te begeven en vruchten voort te brengen. Wij bezaten zelf dus geen vrucht waarom Hij ons zou uitverkiezen. "Om je op op weg te begeven en vruchten voort te brengen", zegt Hij. Wij begeven ons op weg om dan te dragen, en Hijzelf is de weg (Joh 14,6). Daarover gaan wij; daarop heeft Hij ons geplaatst om ons op weg te begeven. Zijn barmhartigheid heeft ons dus in alle opzichten voor­komen. "Om vruchten voort te brengen", zegt Hij, "die blijvend zijn. Dan zal de Vader u geven al wat gij Hem in mijn Naam vraagt." (Joh 15,16) Laat dan de liefde blijven. Die is immers onze vrucht. Die liefde bestaat nu in verlangen, nog niet in verzadiging. Zelfs om dit verlangen schenkt de Vader ons alles wat wij vragen in de naam van zijn eniggeboren Zoon. Maar wat voor ons heil niet voordelig is te ontvangen als wij gered moeten worden, mogen wij niet waard vinden om te in de naam van de Heiland. Wij vragen alleen in de naam van de Heiland wat te maken heeft met het wezenlijke van ons heil.
    Uit; een nog te publiceren vertaling van het Augustijns Instituut

17 mei - Hemelvaartsdag, bij Handelingen 1,1-11 (en Ps 24,9)
uit Augustinus' sermo 377
"Hef, poorten, uw hoofden omhoog, verhef u, ingangen aloud, dat inga de koning der ere!" (Ps 24,9) Dit wordt in één en dezelfde psalm twee keer gezegd: het wordt herhaald na dezelfde woorden, alsof men zou kunnen denken dat het overbodig is en niet nodig. Maar in die herha­ling van dezelfde woorden moet u de doelein­den zien. Laat tot u doordringen waarom het tot twee keer toe werd gezegd. Kijk, de poorten van de hel en de hemel worden eigenlijk twee keer voor Hem geopend: één keer als Hij verrijst en één keer als Hij opstijgt. Het is toch ongewoon dat God in de hel is? Het is toch ook ongewoon dat een mens in de hemel is opgeno­men? Beide keren, op beide plaatsen worden de hoofden benauwd. Wie is dan de koning der ere? (Ps 24,8.10) Hoe kunnen wij deze twee nu onderscheiden? Luister hoe het antwoord aan beide hoofden luidt.
     Op hun vragen krijgen ze het volgende antwoord: "De Heer, machtig en triomfant! De Heer, triomfant in de strijd!" (Ps 24,8) In wat voor strijd? De dood onder­gaan voor de stervelin­gen, alleen lijden voor allen; hoewel almachtig zich niet verzetten, en toch overwinnen door te sterven. Die koning der ere is dus machtig, zelfs in de hel. Dit wordt ook herhaald voor de hemelse scharen: "Hef, poorten, uw hoofden omhoog, verhef u, ingangen aloud." Gaat het soms niet om de aloude ingangen waarvan Petrus de sleutels kreeg? (Mt 16,19) Maar omdat Christus de mens mét zich verheft, wordt daar over Hem gezegd alsof Hij niet wordt herkend: "Wie is dan de koning der ere?" Omdat Hij daar echter geen strijder meer is, maar overwinnaar en omdat Hij daar niet vecht, maar zegeviert, luidt het antwoord daar niet: "De Heer, triomfant in de strijd," maar: "De Heer der hemelse scharen. Hij is de koning der ere." (Ps 24,10).
     Uit: Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; - Baarn : Ambo 1996, p. 225-226.

20 mei - zevende zondag van de Paastijd, bij Johannes 17,11-19
uit Augustinus' verhandelingen over het Johannesevangelie 107,4
"Ik blijf niet langer in de wereld," zegt de Heer over zijn leerlingen, "maar zij blijven in de wereld." (Joh 17,11) Als u kijkt naar het moment waarop Jezus dat zei, waren zij beiden nog in de wereld: Christus en zij over wie Hij sprak. Wij kunnen en mogen namelijk die uitspraak niet volgens de bevordering van geestelijk leven opvatten, alsof de apostelen nog in de wereld heten omdat zij nog smaak hadden voor het wereldse; en alsof Christus niet meer in de wereld heet omdat Hij smaak had voor het goddelijke. Er staat hier namelijk een woordje dat ons niet toestaat om het zo op te vatten. De Heer zei namelijk niet Ik ben niet in de wereld, maar: "Ik blijf niet langer in de wereld." En daarmee gaf Hij aan dat Hij in de wereld geweest is maar het niet meer is. Nu mogen wij toch niet geloven dat Christus ooit smaak gehad heeft voor het wereldse en daarna van dwaling verlost die smaak niet meer bezit. Wie zou zo'n oneerbiedige opvatting huldigen? Als uitleg blijft dus Christus' bedoeling dat zoals Hij tot nu toe in de wereld was, Hij nu niet meer in de wereld is, te weten met zijn lichamelijke aanwezigheid. Dat Hij zo opgevat weldra uit de wereld zou zijn, maar zijn leerlingen later, drukt Hij aldus uit dat Hij al niet meer hier was, zij echter wel, hoewel zowel Hij als zij nog hier waren. Zo heeft Hij zich nu eenmaal uitgedrukt als mensen dat onder elkaar doen volgens menselijk spraakgebruik. Zeggen wij niet elke dag "Hij is al weg" van iemand die op het punt staat te vertrekken? Vooral zeggen wij dat van mensen die op het punt staan dood te gaan. Trouwens, de Heer zelf heeft, als voorzag Hij wat de toekomstige lezers zou kunnen schokken, toegevoegd: "Ik kom naar U toe." Daarmee verklaard wat Hij bedoelde met dat "Ik blijf niet langer in deze wereld."
     Uit: een nog te publiceren vertaling van het Augustijns Instituut.

27 mei - Pinksteren, bij Handelingen 2,1-11
uit Augustinus' sermo 266,2
Wij vieren vandaag het feest van de komst van de Heilige Geest. Want die kwam op de dag van Pinksteren, die al is aangebroken. Er waren honderdtwintig personen op één plaats bijeen. Onder hen bevonden zich de apostelen, de moeder van de Heer en andere mensen, mannen en vrouwen, die aan het bidden waren en wachtten op de vervul­ling van Christus' belofte, de komst van de Heilige Geest (Hnd 2,1 en 1,14-15). De hoop van de wachtenden was geen ijdele hoop, want de belofte van de Belover was geen loze belofte. Zij wachtten, en Hij kwam. En Hij trof reine vaten, waarin Hij kon worden opgevangen. Er verscheen hun iets dat op vuur geleek en dat zich, in tongen ver­deeld, op ieder van hen neerzette. En zij begonnen in vreemde talen te spreken, naarge­lang de Geest hun te vertolken gaf (Hnd 2,3-4). Iedere per­soon sprak in alle talen, omdat de toekomstige kerk hiermee in alle talen werd aangekon­digd. Eén persoon was het teken van de een­heid: alle talen in één persoon, dat betekent alle volkeren tezamen in eenheid. Degenen die vol waren, spraken; degenen die leeg waren, wisten niet wat ervan te denken, en wat erger is, ze wisten niet wat ervan te denken en maakten er beledigende opmerkingen over (Hnd 2,12-13). Ze zeiden: "Ze zijn dronken en ze zijn zich aan zoete wijn te buiten gegaan." (Hnd 2,13) Wat een domme en laster­lijke beledigingen. Een dronkeman leert geen vreemde taal, nee, hij raakt de zijne kwijt. Maar toch sprak de waarheid bij monde van die onwetende mensen met hun beledi­gingen. Ja, die honderdtwintig perso­nen waren zich echt te buiten gegaan aan jonge wijn, want zij waren nieuwe wijn­zakken geworden (Hnd 2,13, Mt 9,17, Mc 2,22 en Lc 5,37-38). Maar de oude wisten niet wat te denken van de nieuwe, en door die beledigingen werden de oude niet ver­nieuwd en ook niet gevuld. Maar uit­eindelijk ebde hun beledigende toon weg. Ze gingen luisteren naar de apostelen die aan het woord waren, een verklaring aflegden en door de genade van Christus predikten (Hnd 2,15). Door te luisteren werden ze geraakt, daar­door veranderd, en door die verandering begonnen ze te geloven. En door dat geloof verdienden ze dat te ontvangen, waarvan ze niet wisten wat ze ervan moesten denken bij anderen.
     Uit: Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; - Baarn : Ambo 1996, p. 229-230.

Top 

Door het jaar mei-juli  

Top 

Door het jaar aug-sept 

Top 

Door het jaar okt-nov 

Top 

 

kleiner A  -  A groter
Sitemap
6 maart 2012