Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
Augustijns Instituut > Webarchief > Artikelen > B-jaar (Marcusevangelie)
zoeken
printen

B-jaar (Marcusevangelie)

Advent 
Kerstmis
Epifanie 
Door het jaar jan-febr 
Veertigdagentijd 
Pasen 
Paastijd  
Door het jaar mei-juli  
Door het jaar aug-sept 
Door het jaar okt-nov 

 

In het liturgische B-jaar (2014-2015) vormt in vele kerken het evangelie volgens Marcus uitgangspunt voor verkondiging en overweging. Omdat dit evangelie het kortste is, zijn over het jaar verspreid ook passages uit andere evangeliën ingepast, vooral uit het Johannesevangelie. Het evangelie volgens Marcus wordt door Augustinus niet veel gebruikt: zo zijn er bijvoorbeeld maar drie sermones van hem bewaard over een passage uit dit evangelie. Passende fragmenten uit het werk van Augustinus ter overdenking van het zondagevangelie moeten dan ook bijeengesprokkeld worden. Dikwijls vormen parallelteksten of verwante passages uit andere evangeliën een impliciet startpunt. Toch hopen we met de uitgekozen fragmenten een inspirerend hulpmiddel te bieden bij het pastorale werk.

De fragmenten kunnen dienen bij persoonlijke bezinning, maar kunnen ook behulpzaam zijn als korte overweging bij doordeweekse vieringen, als opening of afsluiting bij kerkelijke vergaderingen, als korte gedachte in een kerkblad of orde van dienst op zondag. Zo kan het evangelie op zondag naklinken bij andere kerkelijke activiteiten doordeweeks. Het staat u vrij om de bijlage te gebruiken op uw eigen website  op voorwaarde dat u de boekgegevens overneemt en/of verwijst naar www.augustinus.nl.  

Voor meer informatie over onze boeken zie Publicaties-NL-vertalingen, voor citaten per thema zie het Webarchief, of Citaten en de serie Augustinus aan het woord.  

Advent 

 

1e zondag advent bij Mc 13,33-37
uit Augustinus' sermo 18,1-2
Christus de Heer, onze God, de Zoon van God, is bij zijn eerste komst in verborgenheid gekomen. Maar bij zijn tweede komst zal Hij duidelijk zichtbaar komen. Toen Hij in verborgenheid kwam, hebben alleen zijn dienaren Hem waargenomen. Wanneer Hij duidelijk zichtbaar zal komen, zullen alle mensen Hem waarnemen, de goede en de slechte. Toen Hij in verborgenheid kwam, is Hij gekomen om te worden geoordeeld. Wanneer Hij duidelijk zichtbaar zal komen, zal Hij komen om zelf te oordelen. Welnu. Destijds, toen Hij werd geoordeeld, heeft Hij zich stil gehouden. Daarover had de profeet voorzegd: "ls een schaap dat naar de slachtbank is geleid, als een lam dat oog in oog met zijn scheerder stond, heeft Hij zijn mond niet opengedaan." (Js 53,7) Maar God zal duidelijk zichtbaar komen, onze God, en Hij zal zich niet stil houden (Ps 49 (50),3). Anders dan toen Hij nog moest worden geoordeeld, zal Hij zich niet stil houden wanneer Hij zelf zal oordelen. Ook nu houdt Hij zich niet stil, voor wie naar Hem luistert. (...)
     Wat God heeft beloofd, wordt nu nog niet zichtbaar gemaakt. Waarmee Hij dreigt, is nu nog niet te zien. En daarom lachen ze om wat Hij gebiedt. Zowel goede als slechte mensen kennen voorspoed en tegenspoed. Mensen die geloven in wat er nu is, en niet in wat er later komt, stellen vast dat goede en slechte dingen van deze tijd willekeurig zowel goede als slechte mensen treffen. Als ze rijkdom wensen, zien ze dat zowel heel slechte als goede mensen rijkdom bezitten. Maar als ze de armoede en de ellende van deze tijd verafschuwen, zien ze ook dat niet alleen de goede mensen onder de ellende hier te lijden hebben, maar ook de slechte. En dan zeggen ze bij zichzelf dat God niet omkijkt naar de belangen van de mensen, en dat Hij zich daar niet mee bezighoudt, maar dat Hij ons, die in de verste regionen van deze wereld liggen, aan ons lot overlaat, en zich verder niet meer om ons bekommert. En zo komt het dat ze zich niets van zijn gebod aantrekken. Ze zien namelijk aan geen enkel duidelijk teken dat er ook maar zoiets als een oordeel bestaat.
      Toch moet je ook nu beseffen dat God naar je omkijkt en over je oordeelt wanneer Hij dat wil, en dat Hij zijn oordeel niet uitstelt. Maar God kan zijn oordeel, wanneer Hij dat wil, ook wèl uitstellen. Waarom Hij dat zou doen? Als God in het hier en nu over niets zou oordelen, zou je geloven dat Hij niet bestond. Als God in het hier en nu over alles zou oordelen, zou er niets meer voor het laatste oordeel bewaard blijven. Voor het laatste oordeel wordt een groot aantal zaken bewaard, maar over een paar dingen wordt er al in het hier en nu geoordeeld. Daarmee hoopt God te bereiken dat degenen van wie het oordeel wordt uitgesteld, bang worden en zich bekeren. Want God houdt er niet van om te veroordelen. Hij wil het liefst redden (Joh 12,47). Met de slechte mensen heeft Hij zoveel geduld omdat Hij hen tot goede mensen wil maken. Zo zegt de apostel dat de toorn van God zich over alle ongeloof zal openbaren (Rom 1,18), en dat God ieder mens naar zijn daden zal belonen (Rom 2,6). En als de mens zich daar niets van aantrekt, spreekt hij hem op verwijtende toon toe: “Veracht u zijn rijkdom aan goedheid en lankmoedigheid soms?” (Rom 2,4) Hij is goed voor u, want Hij is lankmoedig, Hij benadert u vol geduld, Hij stelt uw zaak uit in plaats van u te laten vallen, en ú veracht Hem. Sterker nog, u denkt dat er geen oordeel van God bestaat, omdat u niet weet dat het geduld van God u tot inkeer wil brengen Rom 2,4). Maar doordat u zo hard bent, maakt u dat de voorraad straf waartoe God u veroordeelt op de dag dat Hij zijn rechtvaardig vonnis uitspreekt en uitvoert, alleen maar groter wordt (Rom 2,5). God zal ieder mens belonen naar zijn daden (Rom 2,6).
      Uit: Schatkamer van het geloof 

 

2e zondag van de advent bij Mc 1,1-8
uit Ambrosius' uitleg van het Lucasevangelie 2,69-73
De heilige Matteüs en de heilige Marcus hebben Johannes de Doper als een profeet kenbaar willen maken met zijn kleding, gordel en voedsel: Johannes droeg een kleed van kameelhaar en een leren gordel om zijn middel. Hij at sprinkhanen en wilde honing (Mc 1,6). De voorloper van Christus duldde namelijk niet dat de vacht van onreine dieren verloren ging en gaf zo al met zijn kleding aan dat de komst van Christus aanstaande was. Christus zou de zonden van het onreine heidendom op zich nemen: zonden die lijken op een dier in het wild en doortrokken zijn van vuil naar gelang van onze wanstalige vergrijpen. Hij zou pas, om zo te zeggen, dat kleed van ons vlees afleggen op het overwinningsteken van het kruis.
      Wat wil de leren gordel die Johannes om zijn middel droeg, anders zeggen dan dat tot dan toe het vlees de geest gewoonlijk tot last was geweest. Sinds de komst van de Heer diende het vlees niet als hinderlijke bagage maar juist als band die helpt dragen. Wij hebben volgens David onze citers aan de wilgen gehan­gen (Ps 136 (137),2), en wij stellen volgens Paulus geen vertrouwen in het vlees en toch weer wel in het lichaam (Fil 3,3): geen vertrouwen namelijk in de lusten ervan, maar wel in het lijden ervan. Want de vurigheid van geest (Rom 12,11) is kracht­dadig en wij omgorden ons tot het volledige onderhouden van de geboden uit de hemel. Daarop blijven we met geestelijke aandacht gespitst, niet gehinderd door ons lichaam en door alles wat daarmee samenhangt.
       Ook het voedsel van de profeet Johannes duidt op zijn ambt en kondigt een geheim aan. Wat toch is zo zinledig voor een mens in zijn ambt als het opzoeken van sprinkha­nen maar wat is zo vol zin voor het geheim van een profetisch optreden? Sprinkhanen zijn schadelijk voor de oogst, nutteloos voor gebruik, schichtig bij aanraken, onberekenbaar in hun sprongen en maken met de snuit hun sjirpende geluid. Hoe meer ze dat doen, des te beter kan men er de heidenen mee in verband brengen: ze arbeidden zonder resul­taat, werkten zonder opbrengst, hadden nauwelijks betekenis, lieten zonder woorden hun klachten en klagen­ horen en kenden niet het levende Woord. Dat volk nu is voedsel voor profeten, want hoe talrijker mensen samenstromen, des te meer effect sorteert de mond van de profeet.
      Ook de genade van de kerk heeft een voorafbeeling: wilde honing. Die wordt niet gevonden in de bijenkorf van de wet door de groeikracht van het joodse volk, maar ligt door het dwalen van de heidenen overal verspreid in de velden en onder het gebladerte van het woud volgens het Schriftwoord: "Wij vonden de ark in de velden van het woud." (Ps 131 (132),6) Johannes at de wilde honing om daarmee aan te kondigen dat de volken verzadigd moesten worden met honing uit de rots zoals geschreven staat: "Uit de rots verzadigde Hij hen met honing." (Ps 80 (81),17) Zo hebben ook raven Elia in de woestijn gevoed met spijs die zij van verre aanvoer­den, en met kostbaar water (1 K 17,6): dit moest erop wijzen dat heiden­volken, overtrokken met de zwarte doodskleur van hun misdadig gedrag, voorheen voedsel zochten tussen riekende lijken maar nu zichzelf, als uit het buitenland gehaald voedsel, de profeten zouden aanbieden.­ Want het voedsel van de profeten is het volvoeren van Gods wil zoals de Heer zelf heeft verklaard toen Hij zei: "Mijn voedsel is de wil doen van Hem die Mij gezonden heeft." (Joh 4,34)
     Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; - Budel : Damon 2005, p. 123-125.

 

3e zondag advent bij Joh 1,6-8 en 19-28
uit Augustinus' verhandelingen over het Johannesevangelie 4,7
Ze vroegen hem: "Hoe zit het dan? Bent u Elia?" "Nee", antwoordde hij. En ze vroegen hem: "Bent u dan de profeet?" "Nee," antwoordde hij. "Maar wie bent u dan?" drongen ze aan, "We moeten antwoord kunnen geven aan degenen die ons gestuurd hebben. Wie zegt u zelf dat u bent?" Hij zei: "Ik ben de stem van iemand die roept in de woestijn." (Joh 1,22-23) Dat heeft Jesaja gezegd. In Johannes is die profetie vervuld: “Ik ben de stem van iemand die roept in de woes­tijn."(Js 40,3) Wat roept hij? "Maak recht de weg van de Heer, maak recht de paden voor onze God!" Lijkt het u niet de taak van een heraut om te roepen: "Uit de weg, maak ruimte"? Alleen roept een heraut: "Uit de weg,” maar Johannes zegt: "Kom!" Een heraut duwt de mensen weg van de rechter. Johannes roept ze tot de rechter. Of liever: Johannes roept ze naar de nederige Jezus om te voorkomen dat ze zullen ervaren wie Hij is als verheven rechter. "Ik ben de stem van iemand die roept in de woestijn: Maak recht de weg van de Heer - zoals de profeet Jesaja gezegd heeft." Hij zegt niet dat hij Johannes is, Elia of de profeet. Maar hij zegt: "Ik word genoemd de stem van iemand die roept in de woestijn: Maak recht de weg van de Heer." Ik ben deze profetie zelf.
     Uit: Aurelius Augustinus - Geef mij te drinken: verhandelingen over het Johannesevanglie 1-23;  - Budel : Damon 2010, p. 108-109

 

4e zondag van de advent bij Lc 1,26-38
uit Ambrosius uitleg van het Lucasevangelie 2,1
De goddelijke geheimen blijven welis­waar geheimen en volgens het profetenwoord kan een mens het raadsbe­sluit van God niet gemakkelijk begrijpen (Js 40,13). Maar toch kunnen wij uit de overige daden en voorschrif­ten van de Heer onze Heiland opmaken dat ook het raadsbesluit om een vrouw die verloofd was, uit te kiezen tot moeder van de Heer, heel nauwkeurig was afgewogen.
     Waarom nu is zij niet vóór haar verloving zwanger geworden? Wellicht omdat men anders zou zeggen dat het ­door overspel gekomen was. De Schrift heeft duidelijk twee dingen over haar gesteld: zij was verloofd en zij was maagd. Maagd, om haar af te zonderen van elke omgang met een man; verloofd, om niet de kwade naam te krijgen dat haar maagdelijkheid geschonden was, en daarvan het brandmerk te dragen, nu zij in verwachting van haar kindje het bewijs van de ontering scheen te leveren. De Heer verkoos dat men liever zou twijfelen over zijn afkomst dan over de reinheid van zijn moeder. Hij wist namelijk hoe fijngevoelig maagdelijke ­schroom was en hoe kwetsbaar de goede naam van zuiverheid. Hij vond dat het bewijs van zijn eigen goddelijke afkomst niet mocht worden versterkt door ten onrechte zijn moeder verdacht te maken. Zo blijft de maagde­lijkheid van de heilige Maria onaangetast: haar zuiverheid houdt haar ongerept, geruchten kunnen haar niet schaden. Heiligen dienen namelijk ook goed aangeschreven te staan bij wie niet tot de gemeente behoren (1 Tim 3,7). En het geeft geen pas dat slecht bekendstaande meisjes zich zouden vrijpleiten­ met de verontschuldiging dat ook de moeder van de Heer een slechte naam scheen te hebben gehad. 
     Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; - Budel : Damon 2005, p. 89

Top 

Kerstmis


25 december - kerstnacht bij Lc 2,1-14
uit Ambrosius' uitleg van het Lucasevangelie 2,36-37
Nu wij over de geboorte van de Heiland gaan spre­ken is het, dachten wij, niet misplaatst de vraag op te werpen naar de tijdsomstandigheden waarin hij ter wereld kwam. Wat heeft nu de aangifte van wereldse gegevens te maken met de geboorte van de Heer? Ook dat is een goddelijk mysterie. Onder het uiterlijk van de wereldse aangifte voltrekt zich er een op geestelijk vlak, niet voor de aardse maar voor de hemelse vorst bestemd. Deze aangifte van het geloof registreert het innerlijk leven van de mensen. Nu de oude heffing in de synagoge is afgeschaft, wordt er een nieuwe voor de kerk voorbereid: niet om dwangsommen op te eisen maar om die af te schaffen. ...­­ Hier worden geen landerijen opgemeten, maar zielen en harten gepeild­. Hier worden geen grenzen vastgesteld maar vooruitgeschoven. Hier maakt men geen onderscheid tussen oud en jong, maar wordt iedereen bijge­schreven. Niemand is immers van deze heffing vrijgesteld, omdat mensen van alle leeftijden schatplichtig zijn aan Christus ... 
     Bij deze aangifte hoeft u niets te vrezen dat schrik aanjaagt, niets dat harteloos aandoet, niets dat ­ongelukkig maakt. Deze aanslag ondertekent iedereen alleen met het geloof. Wilt u weten hoe de belastingdienaren van Christus zijn? Zij krijgen de opdracht de vermogens op te nemen zonder stok en terreur, het volk te winnen met welwillendheid, het zwaard in de schede te steken en geen goud te bezitten (Vgl. Mt 10,9-10, Mc 6,8-9 en Lc 9,3). Met zulke belastingdienaren is de wereld gewonnen. Kortom, de plicht om zich te melden gold de hele wereld. Daaruit kunt u opmaken dat deze aangifte niet van Augustus maar van Christus uitging.
     Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; - Budel : Damon 2005, p. 107-108


25 december - kerstdag bij Joh 1,1-18
uit Augustinus' sermo 118,2
Laat God de ruimte om voort te brengen wat eeuwig is. Alstublieft, luister goed over wie we het hebben. ... We hebben het over God. We belijden en ge­loven dat de Zoon even eeu­wig is als de Vader. "Maar," zeggen ze, "als mensen kinderen krijgen, is de eerste generatie ouder dan de tweede generatie." Ja, dat is zo: bij de mensen is de eerste generatie ouder dan de tweede. Maar het kind gaat zijn vader in kracht evenaren. En dat komt natuurlijk omdat de een opgroeit en de ander ouder wordt. Als de vader stil stond in de tijd en het kind hem al groeiend zou in­halen, dan zou u op een bepaald moment kunnen vaststellen dat ze even oud waren. Goed, ik geef u een voorbeeld om het te kunnen begrij­pen. Het vuur brengt een gloed voort die even oud is als het vuur zelf. Bij de men­sen vindt u alleen maar kinderen die jonger zijn dan hun ouders; ze zijn nooit even oud. Maar zoals gezegd, ik geef u een voorbeeld: de gloed die even oud is als het vuur, zijn vader. Het vuur brengt na­melijk gloed voort en bestaat nooit zon­der gloed. Als u dan inziet dat de gloed even oud is als het vuur, sta God dan een even eeuwi­ge zoon toe. Als u het begrijpt: wees blij. Als u het niet begrijpt: ge­loof! Want het woord van de profeet kan niet ongedaan worden ge­maakt­: "Als u het niet ge­looft, zult u het niet begrijpen." (Js 7,9 LXX).
    Uit: Aurelius Augustinus - De weg komt naar u toe: preken over teksten uit het Johannesevangelie; - Budel : Damon 2007, p. 59


26 december - gedachtenis H. Stefanus, eerste martelaar,
bij Hnd 6,8-10 en 7,54-60 uit Augustinus' sermo 314,1

Gisteren vierden wij de geboortedag van de Heer. Vandaag vieren we de geboortedag van zijn dienaar. Maar als geboortedag van de Heer vierden wij de dag waarop Hij geboren wilde worden. Als geboortedag van zijn dienaar vieren wij de dag waarop hij de overwinningskrans ontving. Als geboortedag van de Heer vierden wij de dag waarop Hij het kleed van ons vlees heeft aangenomen. Als geboortedag van zijn dienaar vieren wij de dag waarop hij het kleed van zijn lichaam heeft afgelegd. Op de geboortedag van de Heer vierden wij dat Hij aan ons gelijk is geworden. Op de geboortedag van zijn dienaar vieren wij dat hij de naaste van Christus is geworden.Want zoals Christus zich door zijn geboorte met Stefanus verbond, zo heeft Stefanus zich door zijn dood met Christus verbonden.
     Maar van onze Heer Jezus Christus gedenkt de kerk in twee plechtige vieringen de dag van zijn geboorte en die van zijn lijden en dood, omdat beide genezing brengen. Want Hij is geboren om ons opnieuw geboren te laten worden en Hij is gestorven om ons eeuwig te laten leven. De martelaren traden echter bij hun geboorte aan voor een hachelijke strijd, gebukt als zij gingen onder de last van de erfzonde. Maar bij hun dood gingen ze over tot onaantastbaar geluk en lieten ze alle zonde achter zich. Als de beloning van het komend geluk hen niet had gesterkt toen ze overgeleverd waren aan de vervolging, hoe hadden ze dan die terechtstelling met alle folteringen doorstaan?
      Als de heilige Stefanus, blootgesteld aan een regen van stenen, niet had gedacht aan de toekomstige beloning, hoe zou hij dan die hagelbui hebben doorstaan? Maar hij droeg in zijn hart het gebod van Hem die hij aanwezig zag in de hemel. Tot Hem opgetild door vurige liefde  verlangde hij zo snel mogelijk dit lichaam te verlaten en omhoog te vliegen naar Hem. Hij kende ook geen vrees meer voor de dood, want hij zag Christus levend, ook al wist hij dat Hij voor hem was gestorven. Daarom haastte hij zich ook zelf voor Hem te sterven om met Hem te leven.
      Want wat de heilige martelaar Stefanus zag, weet u zonder enige twijfel uit zijn woorden die u geregeld hoort uit de Handelingen van de Apostelen. Hij zei: "Ik zie de hemel geopend en Christus, die aan Gods rechterhand staat." (Hnd 7,56) Hij zag Jezus staan en daarom bleef hij ook zelf staan en viel hij niet. Want Hij die daar stond in de hoogte en die van boven neerzag op hem die beneden strijd leverde, gaf zijn soldaat onoverwinnelijke kracht, zodat hij niet zou vallen.
      Hij zei: "Ik zie de hemel geopend." Gelukkig de man voor wie de hemel openstond.
     

     Uit: Stratenmakers en brugwachters: preken over heiligen 2 [sermones de sanctis 299D-335M].Budel: Damon, 2014, p. 287

 

Top 


1 januari - octaafdag van kerstmis bij Lc 2,16-21
uit Ambrosius' uitleg van het Lucasevangelie 2,53

Laat die herders u niet te gewoon lijken. Ja, zo is het: hoe geringer in menselijke wijsheid, des te kostbaarder voor het geloof. De Heer heeft geen gymnasia met rijen geleerden bezocht, maar Hij ging naar het eenvoudige volk omdat dat zijn woorden niet kon opsieren of verfraaien. Er wordt immers eenvoud gevraagd en niet verlangd carrière te maken. U moet niet denken dat u de woorden van zulke profeten mag versmaden. Door herders krijgt zelfs Maria gegevens die haar geloof verhelderen. Door herders komt er volk bijeen om God te eren: de mensen stonden verbaasd over wat hun door herders werd gezegd­. (Lc 2,18)
     Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; - Budel : Damon 2005, p. 116

 

Epifanie 

 

3 of 6 jan. Openbaring van de Heer bij Mt 2,1-12
uit Augustinus' sermo 201,1 

Nog maar een paar dagen geleden vierden wij de geboortedag van de Heer. Vandaag moeten wij niet minder plechtig zijn openbaring aan de heidenen vieren. Op deze dag namelijk is de Heer voor het eerst aan hen geopenbaard. Op zijn geboortedag al kregen de joodse herders de pasgeborene te zien, vandaag aanbidden de magiërs uit het oosten Hem. De pasgeborene is immers de hoeksteen, waar twee muren in vrede samenkomen, besnedenen en onbesnedenen; geen gering ver­schil in herkomst. Ze moesten met elkaar verbonden worden in Hem die onze vrede is gewor­den en die de twee één heeft gemaakt (Ef 2,14). Met de herders zijn de joden voorafgebeeld, met de magiërs de heidenen. Dat was het begin van wat in de hele wereld vrucht moest dragen en moest groeien. Laten wij deze twee dagen, die van de geboorte en die van de openbaring van onze Heer daarom van harte vieren in geeste­lijke vreugde.
      De herders, joden, werden naar Hem gebracht door de boodschap van een engel; de magiërs, heidenen, door een ster die hun de weg wees. De ster bracht de astrologen met hun ijdele berekenin­gen en voorspellingen in de war, toen zij de sterrenaanbid­ders duidelijk maakte dat zij beter de Schepper van hemel en aarde konden aanbid­den. Want Hij die bij zijn geboorte een nieuwe ster liet schijnen, ontnam bij zijn dood de zon van het oude bestel haar licht (Mt 27,45). Met het licht van de ster is het geloof begonnen, terwijl de duister­nis een aanklacht vormt tegen het ongeloof.
       Wat was dat voor een ster, die nooit eerder tussen de sterren was verschenen en die ook later niet aan het firmament bleef staan? Wat was die ster anders dan prachtige hemeltaal die de glorie van God moest verkondi­gen? (Ps 19,1) Die met ongewone schittering moest roepen over de ongewone maagdelijke bevalling. Later, toen de ster niet meer ver­scheen, moest daarvoor in de hele wereld het evangelie in de plaats komen. Wat vroegen de magiërs immers bij hun komst? "Waar is de pasgeboren koning van de joden?" (Mt 2,2) Wat betekent dat? Waren er in het verleden al niet zovelen als koning van de joden geboren? Waarom verlangden de magiërs er zo vurig naar om de koning van een vreemd volk te leren kennen en te aanbidden? "Omdat wij zijn ster in het oosten hebben gezien," zeiden ze, "en gekomen zijn om Hem onze hulde te brengen." (Mt 2,2) Zouden zij werkelijk met zoveel toewijding navraag doen en met zo'n diep gevoel van godsvrucht naar Hem verlangen, als zij in de koning van de joden niet Hem erkenden, die zelfs de koning der eeuwen is?
     Uit: Aurelius Augustinus, Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; - Baarn : Ambo 1996, p. 46

 

Doop van de Heer
Matteüs 3,13-17, Marcus 1,7-11, Lucas 3, 15,16-2
uit Augustinus' sermo 52,1

We zien dat onze God zich bij de rivier de Jordaan als Drie-eenheid aan ons vertoont. We kunnen het duidelijk zien: het wordt als een goddelijk schouw­spel voor ons opgevoerd. Jezus komt naar Johannes toe en laat zich door hem dopen, de Heer door de dienaar. Hiermee geeft Hij een voor­beeld van nederigheid: Hij laat zien dat gerechtigheid juist in nederig­heid wordt vervuld. Johannes zegt dan: "Ik moet mij door U laten dopen, en U komt bij mij?"(Mt 3,14) Waarop Jezus antwoordt: "Laat nu maar, want zo moet de gerechtigheid volledig worden vervuld." (Mt 3,15) Nadat Hij gedoopt is, gaat de hemel open en daalt de Heilige Geest op Hem neer in de gedaante van een duif. (Mt 3,16) Vervolgens klinkt er een stem van boven: "Dit is mijn geliefde Zoon, in wie Ik vreugde vind." (Mt 3,17)

We zien hier een soort verscheidenheid binnen de Drie-eenheid: in de stem herkennen we de Vader, in de mens de Zoon en in de duif de Heilige Geest. Ik hoef u daar alleen maar op te wijzen, want het is gemakkelijk te zien. Er is geen twijfel mogelijk, het is volkomen duidelijk: hier wordt de Drie-eenheid opgevoerd. Christus zelf, de Heer, die in de gestalte van een dienaar naar Johannes toekomt, kan niet anders dan de Zoon zijn. Niemand kan zeggen dat Hij de Vader is of de Heilige Geest. "Jezus kwam," (Mt 3,13) staat er, en Jezus is natuurlijk de Zoon van God. En is er iemand die twij­felt over de duif? Die vraagt: “Wat betekent die duif?" Nee toch? ­Het evangelie getuigt hier in alle duide­lijk­heid: "De Heilige Geest daalde over Hem neer in de gedaante van een duif”? En ook over over de stem kan er geen enkele twijfel be­staan. Het is de stem van de Vader die zegt: "Jij bent mijn Zoon." (Mcv 1,11 en Lc 3,22) ­Het gaat dus om een Drie-eenheid in verscheidenheid.
Uit : Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs. p. 78 (= Sermo 52,1).

 

Door het jaar - jan - febr  


2de zondag door het jaar, bij Joh 1,35-42
uit Augustinus' verhandelingen over het Johannesevangelie 7,10

Wat zoeken jullie?” “Rabbi,” zeiden ze tegen Hem -  dat is in onze taal "meester"- heeft u ergens een verblijfplaats?” Hij zei: “Kom maar mee, dan zul je het zien.” Ze gingen met Hem mee en zagen waar Hij verbleef. En ze bleven die dag bij Hem. Het was ongeveer het tiende uur  (Joh 1,38-39). Nu denken we toch niet dat de evan­gelist geen reden heeft gehad om ons te vertellen hoe laat het was? Het moet toch zo zijn dat hij op die plaats onze aandacht op iets heeft willen vestigen, ons er iets achter heeft willen laten zoeken? Het was het tiende uur. Het getal tien verwijst naar de wet omdat de wet in tien gebo­den is gegeven. Maar de tijd was gekomen dat de wet zou worden vervuld door de liefde, want de joden konden haar slechts vervullen door de vrees. Daarom zegt de Heer: “Ik ben niet gekomen om de wet af te schaffen maar om die tot vervulling te brengen.” (Mt 5,17) Terecht zijn die twee dus op het tiende uur achter Hem aan gegaan, afgaand op het getuigenis van de vriend van de bruidegom. En terecht hoorde Hij op het tiende uur: “Rabbi,” hetgeen betekent: “Meester, leraar.” Als de Heer zich nu op het tiende uur leraar hoorde noemen en het getal tien betrekking heeft op de wet, kan de leraar van de wet geen ander zijn dan Hij die de wet gegeven heeft. Laat niemand beweren dat de wetge­ver en de wetsleraar twee verschillende personen zijn. Hij, die de wet gegeven heeft, legt haar zelf uit. Hij is de leraar van zijn eigen wet en onderwijst er in. Barmhartigheid ligt op zijn lippen. Daarom geeft Hij een barmharti­ge uitleg van de wet zoals geschreven staat over de Wijs­heid: “De wet en barmhartig­heid liggen op haar lippen.” (Spr 31,26) Wees niet bang dat u de wet niet kunt vervullen, neem uw toevlucht tot de barmhartigheid. Als het u teveel is de wet te vervullen, maak dan gebruik van deze afspraak, deze overeenkomst, dit smeek­schrift dat de hemelse advocaat voor u heeft opgesteld.
    Uit: Aurelius Augustinus - Geef mij te drinken: verhandelingen over het Johannesevanglie 1-23;  - Budel : Damon 2010, p. 172-173


3de zondag door het jaar, bij Mc 1,14-20
uit Augustinus' sermo 250,1
De Heer Jezus koos wat voor de wereld zwak is, uit om het sterke te beschamen (1 Kor 1,27). Bij het bijeenbrengen van zijn kerk uit de gehele wereld, begon Hij niet bij keizers of senatoren, maar bij vissers. Zou bij het kiezen immers voorrang zijn gegeven aan mensen met een bepaalde positie, dan zouden die dat rustig aan zichzelf durven toeschrijven en niet aan de genade Gods. Dat geheime plan van God, dat plan van onze Verlosser, wordt door de apostel Paulus uit de doeken gedaan met de woorden: "Denk maar aan uw eigen roeping" - dit zijn de woorden van de apostel - "denk maar aan uw eigen roeping, broeders en zusters, dat er naar menselijke maatstaf niet velen geleerd waren, niet velen machtig, niet velen van hoge afkomst, maar God heeft wat voor de wereld zwak is, uitverkoren om het sterke te beschamen. De keuze van God viel op het geringe en onbeduidende deel, op wat niets is, om teniet te doen wat iets is, opdat geen mens tegenover God zou roemen op zichzelf." (1 Kor 1,26-29).
       Ook de profeet Jesaja zegt dit: "Elk dal moet worden opge­hoogd, elke berg en heuvel afgegraven, oneffen plekken moeten vlak gemaakt worden." (Js 40,4) Kortom, op dezelfde wijze hebben vandaag mensen van hoge en lage rang, geleerd en onontwikkeld, arm en rijk, zonder onderscheid toegang tot de genade van de Heer. Om die genade te ontvan­gen heeft de hoogmoed geen voorrang boven de nederigheid van iemand die niets weet, niets bezit of niets betekent (2 Kor 6,10).
       En wat zei de Heer ook al weer tegen hen? "Kom, volg Mij en Ik zal u vissers van mensen maken." (Mc 1,17) Als die vissers ons niet waren voorgegaan, wie had ons dan gevangen? Nu is iemand die naar behoren weet uit te leggen waarover een visser heeft geschreven, een groot spreker. 
      Uit: Aurelius Augustinus, Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; - Baarn : Ambo 1996, p. 165

Top 

 
4de zondag door het jaar, bij Mc 1,21-28
uit Ambrosius' uitleg van het Lucasevangelie 4,58-60 
De Heer begint bij het kleinere om uit te komen bij het grotere. Ook mensen kunnen iemand van de duivel bevrijden, zij het dan wel door het woord van God. Maar gestorvenen bevel geven te verrijzen is uitsluitend voorbehouden aan Gods­ macht.
     Het mag niemand bevreemden dat in dit evangelie staat dat de duivel als eerste de naam "Jezus van Nazaret" uitsprak (Mc 1,23). Want Christus kreeg zijn naam niet van de duivel, maar een engel had die uit de hemel naar de maagd meegebracht (Lc 1,31). De duivel is echter zo onbeschaamd om zich onder mensen de primeur van iets toe te eigenen en voor hen zogenaamd als iets nieuws mee te brengen. Zo wilde hij de schrik voor zijn macht er bij hen inprenten. Ook in Genesis was hij de eerste die tegenover de mens de naam "God" noemde, want u leest daar: "De duivel zei tegen de vrouw: Heeft God werkelijk gezegd dat u van geen enkele boom in de tuin mag eten?" (Gn 3,1) Op die manier werden man en vrouw door de duivel misleid en door Christus genezen. 
     Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; - Budel : Damon 2005, p. 202-203 

 

 

5e zondag door het jaar, bij Mc 1,29-39
uit  Ambrosius' uitleg van het Lucasevangelie 4,58
Het is op een sabbat dat de Heer zijn genezend werk begon (Mc 1,21). Dit betekent dat de nieuwe schepping daar een aanvang nam, waar de oude destijds ophield. Dat verder de Zoon van God niet onder de wet maar boven de wet stond, wees er van het begin op dat de wet niet werd afgebroken maar vervuld (Mt 5,17). De wereld is immers niet door de wet maar door het Woord geschapen zoals wij lezen: "Door zijn Woord is de hemel gemaakt." (Ps 33,6) De wet wordt dus niet afgebroken maar vervuld om de mens die al bijna ten onder ging, zich te laten vernieuwen. Daarom zegt Paulus: "Leg de oude mens met zijn gedragingen af, bekleed u met de nieuwe mens, die geschapen is naar Christus." (Kol 3,9-10) Terecht begint de Heer op de sabbat, om te laten zien dat Hij in eigen persoon de Schepper is, om nieuwe werken in de bestaande in te vlechten en zo met zijn eigenhandig begonnen bouwsel verder te gaan. Zo begint een bouwheer als hij een huis gaat restaureren, niet met oude gedeelten af te breken bij de funderingen maar bij het dak. Zodoende gaat hij eerst daar aan de slag waar hij destijds was opgehouden.
     Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; - Budel : Damon 2005, p. 202-203

 

6e zondag door het jaar bij Mc 1,40-45
uit  Ambrosius' uitleg van het Lucasevangelie 5,5
Niet alleen de ene man wordt van melaatsheid gereinigd, maar alle mensen tegen wie wordt gezegd: "U bent al gezuiverd door het woord dat Ik u heb verkondigd." (Joh 15,3) Als dus het genees­middel tegen melaatsheid het Woord is, is onverschillig blijven tegenover het Woord in elk geval geestelijke melaatsheid. Maar deze mag niet overgaan op de geneesheer en daarom moet iedereen naar het voorbeeld van de nederige Heer grootspraak vermijden. Waarom wordt immers aanbevolen er met niemand over te praten dan om ons te leren onze weldaden niet overal bekend te maken maar verborgen te houden? (Mc 1,44) Dan kunnen wij niet alleen afzien van geldelijke vergoeding maar ook van dankbetuigingen. Of misschien gebood Jezus het stil te houden vanwege zijn voorkeur voor mensen die Hem meer zijn gaan vertrouwen uit spontaan geloof dan door hoop op weldaden.
    Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; - Budel : Damon 2005, p. 214 

 

Top 

Veertigdagentijd


Aswoensdag
uit Augustinus' verhandeling over de bergrede 2,42
Wat is de betekenis van Jezus' uitspraak: “Als u vast, zalf dan uw hoofd en was uw gezicht, opdat het bij de mensen niet opvalt dat u vast.” (Mt 6,18) Het lijkt immers niet terecht dat iemand ons voorschrijft om, terwijl we de gewoonte hebben ons gezicht elke dag te wassen, bij het vasten ook nog ons hoofd te zalven. Als iedereen erkent dat dat hoogst ongepast is, moet men het gebod om zijn hoofd te zalven en zijn gezicht te wassen laten slaan op het innerlijk van een mens. Het hoofd zalven slaat dan op de blijdschap, het gezicht wassen op de zuiverheid. Iemand die zich innerlijk verheugt, geestelijk en verstandelijk, zalft zijn hoofd. ...
     Iemand die vast moet daar dus een geestelijk genoegen aan beleven, en wel doordat hij zich door het vasten afkeert van werelds genot en zo ondergeschikt is aan Christus, die volgens dit voorschrift verlangt dat wie vast zijn hoofd heeft gezalfd. Zo zal hij ook zijn gezicht wassen, met andere woorden: zijn hart zuiveren. Met een gezuiverd hart zal hij God zien, niet gehinderd door een sluier van ziekte die hij opgelopen heeft in het vuil, maar kerngezond en krachtig omdat hij zuiver en oprecht is. “Was u, reinig u!” staat er geschreven. “Doe weg de misdaden uit uw gedachten; uit mijn ogen ermee!” (Js 1,16) Dat vuil moet dus van ons gezicht worden gewassen: het kwetst de ogen van God. Want door met onverhuld gelaat de glorie van de Heer te aanschouwen zullen wij herschapen worden zodat wij op Hem gaan gelijken (2 Kor 3,18).
    Uit: Aurelius Augustinus – Het huis op de rots: verhandeling over de bergrede  [De sermone Domini in monte]. – p.154-155 (= serm.dom.m. 2,42)


1e zondag van de veertigdagentijd  - Bekoring van Jezus
(bij Mc 1,12-15)

uit Augustinus' sermo 208,1
De tijd is weer aangebroken om u, geliefden in de Heer, zoals ieder jaar aan te vuren en aan te sporen. Toegegeven, ook al zeg ík helemaal niets, deze tijd alleen al is voldoende om u aan te vuren en aan te sporen om u vuriger en geestdriftiger dan anders te wijden aan het vasten, het bidden en het geven van aalmoezen. Mijn preek zal u daarbij nog helpen. Dan kan uw geest ook door het klaroengeschal van mijn stem zijn krachten bundelen om zich teweer te stellen tegen de verlan­gens van het vlees. L­aat uw vasten dus zonder ruzie zijn, zonder getier en bloed­ver­gieten. Zo kunnen ook degenen die zich onder uw juk bevinden, de ontspann­ing ervaren, die een vei­lig gevoel geeft en weldadig is. Zo kan men een ongenadige strengheid beteu­gelen zonder de heil­zame tucht te laten varen.
      Maar wan­neer u zich onthoudt van bepaalde spijzen om uw lichaam te bedwingen - ook al gaat het om eten dat is toegestaan - bedenk dan dat voor de reinen alles rein is (Hnd 10,15 en 11,9). U hoeft niets als on­rein te beschou­wen, behalve dat wat door onbetrouwbaarheid bezoedeld is. De apostel Paulus zegt immers: "Voor hen die besmet en onbe­trouw­baar zijn, is niets rein." (Tit 1,15) Maar wanneer gelovigen hun l­ichaam volkomen dienst­baar maken, komt al wat op het lichamelijk genot in minde­ring wordt ge­bracht, het gees­telijke wel­zijn ten goede. En daarom moet u ervoor waken er niet op uit te zijn de ene dure spijs door de andere te ver­vangen, of - erger nog - op zoek te gaan naar spijzen zonder vlees, maar dan duurdere. Wanneer u immers het lichaam tuchtigt en volkomen dienst­baar maakt, dient u het genot te ­matigen, niet te veranderen. Wat maakt het nu uit bij wat voor eten u het verwijt toegespeeld krijgt van onmatige begeer­te? De begeerte van de Israëlieten is in geen geval al­leen om het eten van vlees veroor­deeld door de stem van God (Nu 11,33). Het ging toch ook om bepaalde vruchten van boom en veld. En Esau verloor zijn eerst­geboorterecht niet om een va­rkenspoot, maar om lin­zensoep (Gn 25,30). Om maar te zwij­gen over wat de Heer, toen Hij honger had, de verleider antwoordde, met name over het brood (Dt 8,3). De Heer was zeker niet zijn eigen vlees aan het temmen, alsof het opstan­dig zou zijn. Wel probeerde Hij ons in zijn barm­har­tigheid te laten zien wat wij bij dergelijke verlei­din­gen moeten antwoor­den.
      Daarom, veelgelief­den, van welk voed­sel u zich ook wilt onthouden, denk eraan dat u uw voornemen uitvoert met vrome bescheiden­heid, en dat u niet op grond van een dwalende goddeloosheid ver­oordeelt wat God heeft geschapen. Daar komt bij, voor wie van u gebonden is aan een echtge­noot of echtgenote, sla vooral in deze tijd de ver­maningen van de apos­tel Paulus niet in de wind. Sta elkaar toe voor een bepaalde tijd in onthouding te leven om u aan het gebed te wijden ( 1 Kor 7,5). Deze onthouding kan ook op andere dagen voordeel hebben, maar men zou zich moeten schamen als men die nu niet zou kunnen opbrengen. Naar mijn mening hoeft het geen al te grote opgave te zijn, dat gehuw­den jaarlijks op bijzonde­re dagen datgene doen, wat weduwen hebben beloofd vanaf een bepaalde periode van hun leven, en wat gewijde maag­den voor heel hun leven op zich hebben geno­men.
     Uit: Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; - Baarn : Ambo 1996, p. 60


2e zondag van de veertigdagentijd bij Mc 9,2-10
uit  Augustinus' sermo 79
Toen uit het heilig evangelie werd gelezen, hoorden we over het gro­te visi­oen op de berg, waar de Heer Jezus zichzelf liet zien aan drie van zijn leerlin­gen: Petrus, Jacobus en Johannes. Zijn gelaat begon te stralen als de zon (Mt 17,2). Dat wijst op het heldere licht van het evangelie. Zijn kleed werd wit als sneeuw (Mc 9,3 en Mt 17,2). Dat wijst op de zuive­ring van de kerk. Te­gen de kerk werd immers bij monde van de profeet Je­sa­ja ge­zegd: "Al waren uw zonden als scharlaken, Ik zal ze zo wit maken als sneeuw." (Js 1,18)
      Elia en Mozes spraken met de Heer (Mc 9,4): ­­­de wet en de pro­fe­ten getuigen van de genade van het evangelie. Mo­zes ver­tegenwoordigt de wet, Elia de profeten.  (...) Petrus vond dat er drie tenten moesten komen, een voor Mozes, een voor Elia en een voor Christus. De een­zaam­heid van de berg be­viel hem wel. De gejaagdheid van het menselijk bestaan, het hing hem de keel uit. Maar die drie tenten, waarom stelt hij drie tenten voor? Het lijkt erop ­dat hij nog niet wist dat de wet, de profeten en het evan­gelie een eenheid vormen. Uiteindelijk werd hij door een wolk ­op zijn vergissing gewezen. "Nog ter­wijl hij deze woorden sprak," staat er, "overscha­duw­de hen een lichtende wolk." (Mc 9,7) Zie je wel! Die wolk vormt één tent. Waarom wil jij er dan drie, Petrus?
      En er klonk een stem uit de wolk: "Dit is mijn ge­lief­de Zoon, in wie Ik vreugde vind. Luister naar Hem." (Mc 9,7) Elia spreekt ook, maar luisteren moet u naar Jezus. Mo­zes spreekt ook, maar luisteren moet u naar Jezus. De pro­feten spre­ken, de wet spreekt, maar luisteren moet u naar Jezus. Hij is de stem van de wet en de tong van de pro­fe­ten. In hen klonk Hij. Op een mo­ment dat Hijzelf verkoos, verscheen Hij in eigen persoon. Luister naar Hem. Laten we naar Hem luis­teren, ja. U hebt het evan­gelie horen spreken. Denk eraan, dát was de wolk waaruit een stem voor ons klonk. Laten we luisteren naar Hem. La­ten we doen wat Hij zegt, en hopen op wat Hij belooft.
     Uit: Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs; - Budel : Damon 2011 (2de dr), p. 420-421


3e zondag van de veertigdagentijd, bij Joh 2,13-25
uit Augustinus' verhandelingen over het Johannesevangelie 10,6
Als we op zoek willen gaan naar het geheim dat in de feiten ligt besloten, wie zijn dan degenen die runderen verkopen? En degenen die de schapen verkopen en de duiven? Dat zijn zij die hun eigen belang zoeken in de kerk, niet het belang van Jezus Christus (Fil 2,21). Ze beschouwen alles als koopwaar, maar willen niet worden vrijgekocht. Ze willen niet gekocht worden, maar ze willen wel verkopen. Het zou goed voor hen zijn als ze met het bloed van Christus werden vrijgekocht zodat ze tot de vrede van Christus kunnen komen. Want wat voor zin heeft het om in deze wereld te verwer­ven wat tijdelijk en vergankelijk is: geld, genot voor maag en mond of aanzien ontleend aan menselijk eerbetoon? Dat is toch allemaal rook en wind? Dat gaat toch allemaal voorbij, in een ommezien? En wee hun die zich hechten aan wat voorbijgaat, want zij gaan tegelijk voorbij. Is dat alles niet een snelstromende rivier die zich in zee stort? Wee degene die daarin valt, want hij wordt meegesleurd naar zee.
     Wij moeten dus al onze gevoelens verre houden van zulke begeerten. Mijn broeders en zusters, wie dat soort dingen zoekt, dát is een verko­per. Jazeker, ook die Simon wilde de Heilige Geest kopen, omdat hij de Heilige Geest wilde doorverkopen (Hnd 8,18-19) en hij dacht dat de apostelen net zulke handelaren waren als degenen die door de Heer met een zweep uit de tempel werden gejaagd. Hij was namelijk zelf zo iemand. Hij wilde kopen wat hij kon doorverkopen. Hij behoorde tot de verkopers van de duiven. De Heilige Geest is immers verschenen in de gedaante van een duif (Mc 1,10). En wie verkopen er nu duiven, broeders en zusters, wie anders dan degenen die zeggen: “Wij bieden u de Heilige Geest”? Waarom beweren zij dat toch en welke prijs vragen ze voor hun koopwaar? Die prijs is eerbetoon. Ze ontvangen vergankelijke erezetels als prijs en zo kan iedereen zien dat ze duiven verkopen. Laten ze maar oppassen dat ze niet een pak slaag met de touwen krijgen! De Duif is niet te koop. Hij wordt gratis gegeven omdat hij “genade” wordt genoemd.
      Mijn broeders en zusters, deze mensen gaan net zo te werk als die verkopers, die marktkooplui die je wel ziet: ieder prijst aan wat hij te koop heeft. Wat hebben ze allemaal niet in de aanbieding? (...)Gaat er dus iemand de verkopers langs om een duif te kopen, dan prijst ieder zijn uitgestalde koopwaar aan. Laat hij zich in zijn hart afwenden van al die verkopers en laat hij komen waar de Duif gratis is te krijgen.
      Uit: Aurelius Augustinus - Geef mij te drinken: verhandelingen 1-23 over het Johannesevangelie; - Budel: Damon 2010, p. 226-227


4e zondag van de veertigdagentijd, bij Joh 3,14-21
uit Augustinus' verhandelingen over het Johannesevanglie 12,11
Waar staan die bijtende slangen voor? Voor de zonden van het sterfelij­ke vlees. Waar staat die opgerichte slang voor? Voor de dood van de Heer aan het kruis. Omdat de dood immers door een slang is ontstaan, is de dood ook door de afbeelding van een slang voorgesteld. De beet van die slang bracht de dood, de dood van de Heer brengt leven. Men vestigt zijn blik op de slang om te bereiken dat de slang machteloos wordt. Wat wil dat zeggen? Men vestigt zijn blik op de slang om te bereiken dat de dood machteloos wordt. Maar op wiens dood vestigt men dan zijn blik? Op de dood van het leven, als je tenminste kunt spreken van de dood van het leven. Ja, omdat je dat kunt zeggen is het te meer een wonderlijke uitspraak. Of mag soms niet worden gezegd wat er moest gebeuren? Zou ik aarzelen om onder woorden te brengen wat de Heer voor mij heeft willen doen? Is Chris­tus soms niet het leven? En toch hangt Hij aan het kruis. Is Christus soms niet het leven? En toch is Hij gestorven. Maar in de dood van Christus is de dood gestorven, omdat het leven door te sterven de dood heeft omgebracht: de volheid van het leven heeft de dood opgeslokt, de dood is verslonden in het lichaam van Christus (1 Kor 15,54). Zo zullen ook wij het bij de opstanding zeggen wanneer we eindelijk in triomf zingen: “Dood, waar is je overwin­ning? Dood, waar is je angel?” ( 1 Kor 15,55)
      Maar voor het zover is moeten wij, broe­ders en zusters, opzien naar de gekruisigde Christus om van de zonde te worden genezen. Want de Schrift zegt: “Zoals Mozes in de woestijn de slang heeft omhooggeheven (Nu 21,8-9), zo moet ook de mensenzoon omhoog worden geheven, zodat ie­dereen die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft.” (joh 3,14-15) Zoals de mensen die hun blik vestigden op die slang, niet stierven aan de slangen­beet, zo worden zij die in geloof hun blik vestigen op de dood van Christus, genezen van de beten van de zonden. Die mensen van destijds werden echter van de dood gered om nog een beperkte tijd te kunnen leven, maar hier zegt de Heer: zodat zij eeuwig leven heb­ben. Dat is namelijk het verschil tussen het beeld en de werkelijkheid. Het beeld schonk leven voor een beperkte tijd maar de werke­lijkheid waarvan dat het beeld was, schenkt eeuwig leven.
     Uit: Aurelius Augustinus - Geef mij te drinken: verhandelingen 1-23 over het Johannesevangelie; - Budel: Damon 2010, p. 266-267


5e zondag van de veertigdagentijd, bij Joh 12,20-33
uit Augustinus' sermo 368,1
Broeders en zusters, toen zojuist het evangelie werd voorgelezen hoorden wij de Heer zeggen: "Wie zijn ziel liefheeft, verliest hem."(Joh 12,25)  Deze uitspraak lijkt in tegenspraak met die van de apostel Paulus: "Niemand heeft ooit zijn eigen lichaam gehaat."(Ef 5,29)  Als niemand ooit zijn eigen lichaam heeft gehaat, dan heeft al helemaal niemand ooit zijn eigen ziel gehaat. De ziel is toch veel belangrijker dan het lichaam. De ziel is de bewoner, het lichaam de woning. De ziel is de meester, het lichaam de knecht. De ziel is de leider, het lichaam de ondergeschikte. Als niemand ooit zijn eigen lichaam heeft gehaat, wie kan dan ooit zijn eigen ziel gehaat hebben?
     Daarom is het geen geringe kwestie die de evangelielezing van vandaag ons heeft voorgelegd. We hoorden: "Wie zijn ziel liefheeft, verliest hem." (Joh 12,25) Het is gevaarlijk om van je ziel te houden: dan gaat hij verloren. Als het gevaarlijk is om van je ziel te houden, omdat die dan verloren kan gaan, moet je er dus niet van houden. Je wilt toch niet dat hij verloren gaat? Maar ja, als je niet wilt dat hij verloren gaat, houd je ervan! Hoe zit dat? Als ik van mijn ziel houd, verlies ik hem. Ik moet er dus niet van houden om hem niet te verliezen. Omdat ik bang ben hem te verliezen houd ik er niet van. Maar als ik iets niet wil verliezen, dan houd ik daar toch van?
     Op een andere plaats zegt de Heer: "Wat zal het een mens baten als hij de hele wereld wint, maar schade lijdt aan zijn ziel?" (Mt 16,26) Kijk, je moet zo van je ziel houden dat je die boven het winnen van de hele wereld stelt. Van de andere kant, wie van zijn ziel houdt moet uitkijken, want als hij ervan houdt verliest hij hem. Je wilt je ziel niet verliezen? Dan mag je er niet van houden. Maar als je hem niet wilt verliezen dan móet je er wel van houden.
     Uit: Aurelius Augustinus - De weg komt naar u toe: preken over teksten uit het Johannesevangelie; - Budel: Damon, 2011, p. 343

6de zondag van de veertigdagentijd - Palmzondag, bij Mc 11,1-10
uit Ambrosius' uitleg van het evangelie volgens Lucas 9,11
     Leer van Gods huisgenoten om Christus te dragen (Ef 2,19), omdat Hij u het eerst heeft gedragen toen Hij als herder het dolende schaap terugbracht­ (Lc 15,4-7). Leer goedwillig Hem de rug van uw geest aan te bieden. Leer u onder Christus te houden om de wereld te boven te komen. Het is niet zomaar iedereen gegeven Christus met gemak te dragen, maar wel wie kan zeg­gen: "Ik ben uitgeput, totaal gebroken, ik kan wel schreeuwen, zó bonst mijn hart." (Ps 38,9) Als u niet aan het wankelen gebracht wilt worden, was dan uw voeten schoon en zet ze op de kle­ren van de heiligen. Pas ervoor op om met vuile voeten door te lopen. Pas ervoor op dwars tegen de keer in te gaan en af te wijken van de routes die de profeten voor u plaveiden. Want voor de komende geslachten moest er een veiliger weg openliggen. Daarom hebben de mensen die vóór Jezus uit gingen, met eigen kleren het pad begaanbaar gemaakt tot aan Gods tempel toe (Mc 11,8). U moest zonder hinder lopen en dus hebben de leerlingen van de Heer de mantel van het eigen lichaam­ afgelegd en door hun marteldood een weg gebaand te midden van de vijandige menigten. Wil men het niettemin zo opvatten dat dit veulen al bovenop de kleren van de joden stapte, dan hebben we daartegen geen bezwaar.
     Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; - Budel : Damon 2005, p. 460-461

Top 

Pasen

 

Witte Donderdag, bij Johannes 13,1-15
uit Augustinus' verhandelingen over het evangelie volgens Johannes 55,4
Eigenlijk was het geen wonder dat Jezus van tafel opstond en zijn kleren aflegde. Hij was het immers die in de gestalte van God zichzelf ontledigd had (Fil 2,6). Geen wonder dat hij zich met een linnen slavenschort omgordde. Toen Hij de gestalte van een slaaf had aangenomen, werd Hij immers als een mens beschouwd (Fil 2,7). Geen wonder dat Hij water in een waskom goot om er de voeten van de leerlingen mee te wassen. Hij heeft immers zijn eigen bloed over de aarde vergoten om er het vuil van de zondaars mee weg te spoelen. Geen wonder dat Hij met de doek waarmee Hij was omgord, de gewassen voeten heeft afgedroogd. Hij had immers met het lichaam waarmee Hij was bekleed, de schreden van zijn evangelieverkondigers versterkt. Toen Hij zich de linnen doek omdeed, heeft Hij de kleren afgelegd die Hij aanhad. Maar toen Hij zich ontledigde in de gestalte van een slaaf, heeft Hij niet afgelegd wat Hij bezat, maar aangenomen wat Hij niet bezat. Toen Hij gekruisigd ging worden, is Hij opmerkelijk genoeg wel beroofd van zijn kleren en na zijn dood in linnen doeken gewikkeld. Heel dat lijden is een schoonwassen van ons. Het stervensceremonieel dat Hij binnenkort zou onder­gaan, heeft Hij dus als dienstbetoon van tevoren zelf verricht.
    uit: een nog te publiceren vertaling van het Augustijns Instituut.

 

Goede Vrijdag, bij Johannes 18,1-19,42
uit Augustinus' sermo 218,1-2 en 13
Men gelooft terecht dat de Heer met iedere afzonderlijke daad die tijdens zijn lijden is verricht en beschreven, een bedoeling heeft gehad, omdat Hij juist in het sterfelijke vlees alles niet uit noodzaak heeft doorstaan maar uit vrije wil. Ten eerste dat Hij na te zijn overgeleverd om te worden gekruisigd, zelf zijn kruis droeg (Joh 19,16-17). Daarmee gaf Hij ons een toonbeeld van zelfbeheersing. Door ons daarin voor te gaan liet Hij zien wat iemand moet doen die Hem wil volgen. Daarop wees Hij ons ook met een uitspraak toen Hij zei: "Wie rnij liefheeft, moet zijn kruis opnemen en Mij volgen (Mt 16,24; Mc 8,34; Lc 9,23)." Wie immers op een goede manier zijn sterfelijk leven leidt, neemt in zekere zin zijn kruis op. ... Verder dat bij de andere twee gekruisigden de benen werden gebroken, maar bij Jezus niet, omdat Hij al was overleden (Joh 19,31-33). Waarom dat zo is, verklaart het evangelie zelf. Het kon immers geen kwaad dat Hij ook met dat teken zou laten zien — in de profetie die eerder over Hem was verkondigd — dat aan het Paasfeest van de joden moest worden gedacht. Een van de voorschriften daarbij was dat de beenderen van het lam niet mochten worden gebroken (Ex 12,46, Nu 9,12).
    Uit: Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; - Baarn : Ambo 1996, p. 91-92 en 94.

Paasnacht
uit Augustinus' sermo 229G,2
Wakker blijven is geen kunst! Bandie­ten blijven immers ook wakker, maar ze hebben er wel een andere bedoeling mee. Ze houden zich schuil tot de mannen slapen en willen dan bij de vrouwen komen onder de duistere medeplichtigheid van de nacht. Ook de beoefenaars van zwarte kunst blijven wakker, maar dan wel om demonen te dienen en met hun hulp schandelijke daden te verrich­ten. Het voert te ver en het is ook niet nodig te vermelden, waarom al dat tuig wakker blijft.
      Toch zijn er ook voorbeelden te noemen van mensen die met eerlijke bedoelingen wakker blijven: ambachtslieden, boeren, schip­pers, vissers, reizigers, handelaars, allerlei leidinggevenden, rech­ters, advocaten, in- en verkopers van boeken, bazen en onderge­schik­ten, en met welke tak van techniek, wetenschap of nijverheid een mens zijn leven ook doorbrengt. Maar dat doet hij wel met de bedoe­ling dat de aarde gemakkelijker en menswaar­diger bewoond kan worden door haar bewoners, die snel als een adem­tocht weer verdwij­nen.
      Kortom, allen die 's nachts waken, hebben een doel. Als het een ongeoor­loofd doel is, worden zij veroor­deeld tot de eeuwige dood; als het een geoor­loofd doel is, wordt het teniet gedaan door de tijdelij­ke dood. Christus nu is het doel van de wet tot gerech­tigheid voor ieder die ge­looft (Rom 10,4). Wij waken door naar Christus te kijken. Hij is het doel van de volmaakt­heid. Hij bevrijdt ons van een einde dat veroorde­ling of vernie­tiging inhoudt. De mensen die ik zojuist noemde, blijven wakker met een eerlijke of oneerlijke bedoe­ling: zij kijken en streven wel naar een doel, maar hún doel is vergankelijk, óns doel kent geen einde. Uitein­delijk waken zij zonder dat ze de volmaakte rust zullen vinden in waar ze naar uitzien. Wij waken en bidden dat we niet op de bekoring ingaan (Mt 26,41). Zo overwin­nen wij immers de belager op onze levens­reis. Zo bereiken wij de Heiland, bij wie we voor altijd de volmaakte rust zullen vinden.
     Uit: Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; - Baarn : Ambo 1996, p. 115-116. 

 

Paaszondag bij Johannes 20,1-18
[tijdschriftartikel] Het bericht van Maria Magdalena over Jezus' leeggehaalde graf werkt op een interessante manier door in het Johannesevangelie. Op haar bericht snellen twee mannelijke leerlingen naar Jezus' graf. De ene leerling van wie Jezus hield kwam als eerste aan en ziet voorovergebukt de zwachtels liggen. Vervolgens komt ook Petrus bij het graf, gaat naar binnen en ziet behalve de zwachtels de zweetdoek elders opgerold. Dan gaat ook de andere leerling naar binnen: hij ziet en gelooft. Augustinus zegt daarover: "Sommige mensen letten hier niet goed op en denken dan dat Johannes toen is gaan geloven dat de Heer was verrezen. Maar het vervolg wijst daar niet op.  Wat moet anders die volgende zin? 'Want zij hadden nog niet begrepen wat er geschreven stond dat Jezus namelijk uit de doden moest opstaan?' (Joh 20,9) Johannes die niet wist dat Jezus moest opstaan, heeft dus niet geloofd dat Hij al was opgestaan. Wat zag en geloofde hij dan wel? Hij zag het graf leeg en geloofde wat Maria Magdalena had gezegd: 'Ze hebben de Heer weggehaald uit het graf.' (Joh 20,2). Zij hadden immers nog niet begrepen wat er geschreven stond dat Hij namelijk uit de doden moest opstaan." (Verhandeling over het evangelie volgens Johannes 120,9). Augustinus legt Joh 20,8-9 dus uit met behulp van Joh 20,2! Die uitleg heeft waarschijnlijk om minstens twee redenen enige irritatie opgeroepen. Het eerste probleem is dat de leerling Johannes en wellicht ook Petrus zich in hun interpretatie van wat zij zien, laten leiden door het getuigenis van één persoon, en nog wel van een vrouw. Dat is ongewoon in een wereld waar een getuigenis pas rechtsgeldig was van minstens twee personen (Nu 35,30, Dt 19,15 en Joh 8,7) en dat zullen in de wereld van toen wel mannen geweest moeten zijn. Het tweede probleem is dat de twee belangrijke mannelijke leerlingen op grond van wat zij zien, volgens de uitleg van Augustinus niet meteen tot het inzicht komen dat de Heer is verrezen, maar eerst gaan geloven wat Maria Magdalena hun heeft gezegd. Augustinus' uitleg moet het in de geschiedenis van de bijbeluitleg nogal eens afleggen tegen een andere. Daarin komen Petrus en die andere leerling anders dan Maria Magdalena wel tot het geloof in de verrijzenis van de Heer. Dat zij de Schriften nog niet hadden begrepen, slaat dan op het feit dat zij eerst moesten zien om te kunnen geloven. Wie de Schriften begrijpt, gelooft eerst om te kunnen zien. Toch blijft de uitleg van Augusitnus de moeite van het bewaren waard. Hij doet recht aan de bijzondere positie van Maria Magdalena in haar liefde en genegenheid voor de Heer en schept klaarheid in haar positie ten opzichte van Petrus en de andere leerling.
   Uit: Hans van Reisen, 'Verrezen tot leerlinge van de Heer: Maria Magdalena in de verkondiging van Augustinus' Tijdschrift voor Liturgie 79 (1995) 3, p. 98-110.

 

tweede Paasdag, bij Matteüs 28,8-15
uit Augustinus' sermo 229F,1
Sommige mensen hebben de verrijzenis van de Heer gezien, anderen hoorden erover vertellen, maar hechtten er geen geloof aan (Mt 28,11) Zij worden dan ook terechtgewezen door de Heer in eigen persoon, omdat zij geen geloof hechtten aan de verhalen van hen die het zagen en erover vertelden. Wat een geweldige gunst schonk God met zijn terecht­wijzing aan de volkeren en aan de mensen die veel later zijn geboren! Wat schonk God dan aan de mensen die nu de kerken van Christus vullen? De heilige apostelen hebben aan Chris­tus' zijde gelopen. Zij hebben het woord van de waar­heid uit zijn eigen mond vernomen. Zij hebben Hem doden zien opwek­ken. Toch geloofden zij niet dat de Heer was verrezen. En wij dan? Wij zijn veel later geboren en hebben Hem nooit in levenden lijve gezien. Wij hebben Hem zelf nooit een woord horen spreken. Wij hebben met onze eigen ogen Hem geen enkel wonder zien verrichten. En toch geloofden wij wel toen wij de g­eschriften hoorden voorlezen van hen die destijds niet wilden geloven. De allerlaatste gebeurtenis die hun werd verteld, geloofden ze niet. Zij hebben het beschreven om het ons te laten lezen. Wij hebben het gehoord en wij geloven.
      Uit: Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; - Baarn : Ambo 1996, p. 119-120.

Top 

Paastijd 

 

tweede zondag van de Paastijd, bij Joh 20,19-31
uit Augustinus' sermo 247,2
De evangelielezing spoort ons aan om een woord te wijden aan de vraag hoe de Heer, die in zo'n concreet lichaam verrees dat Hij door zijn leerlingen niet alleen kon worden gezien maar ook aangeraakt, aan hen kon verschijnen ondanks de gesloten deuren. Sommigen worden hierdoor namelijk zo aan het twijfelen gebracht, dat ze bijna in gevaar zijn doordat ze de vooroordelen van hun eigen redene­ringen inbrengen tegen de goddelijke wonderen. Zij redeneren als volgt. Als er sprake was van een lichaam, van vlees en bot­ten, als dat wat aan het kruis heeft gehangen uit het graf is verrezen, hoe kon dat dan door gesloten deuren binnenkomen? Als dat niet kon, dan is het - zeggen ze - ook niet gebeurd. Als het wel kon, hoe dan wel?... Denk eens terug aan de wonde­ren van uw Heer vanaf het begin van zijn leven en probeer ze mij eens één voor één te verklaren. Zonder dat een man haar benaderde, werd een maagd zwanger (Lc 1,31-34) Leg mij eens uit hoe een maagd zonder man zwanger kon worden. ... Zie je wel, daar heb je al één wonder: de ontvangenis van de Heer. Luister ook naar het tweede wonder: de bevalling. Een maagd heeft gebaard en is toch maagd gebleven. Toen al, vóór zijn verrijzenis, is de Heer als het ware door gesloten deuren heen ter wereld gekomen!
     Uit: Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; - Baarn : Ambo 1996, p. 163.

 

derde zondag van de Paastijd, bij Lucas 24, 35-48
uit Augustinus' sermo 229J,5
Hij heeft overtuigend bewezen dat Hij het hoofd is. Wat betekent dat voor ons? Wat betekent dat voor het lichaam? Christus is het hoofd, de kerk is het lichaam Kol 1,18). De apostelen hebben wel het hoofd gezien, maar de toekomstige kerk zagen ze niet. Let op, ze zagen het hoofd, ze raakten het aan, ze omhelsden het en gingen met het hoofd om. Maar de toekomstige kerk zagen zij niet. Waar blijven wij dan? Op de een of andere manier moest Hij zowel de bruidegom als de bruid uitdrukkelijk vermelden in de gebruikelijke huwelijksakte. Omdat Hij wel de bruidegom liet zien, maar zweeg over de bruid, is het in feite een halve bruiloft. Mogen de hemelse beloften worden vervuld. De bruidegom is verschenen, moge ook de bruid verschijnen. Híj is al aanwezig, zíj is toekomst: Hij in de verrijzenis, zij in de prediking. De apostelen moesten de bruidegom zien en moesten in de bruid geloven. Hoe is Hij gezien? Kijk maar, een geest heeft geen vlees en beenderen zoals u ziet dat Ik heb (Lc 24,39). Vervolgens maakte Hij hun geest toegankelijk. De Christus moest lijden en op de derde dag verrijzen (Lc 24,46). Wij zien de Heer nu, wij kennen de Heer nu, wij raken Hem aan, wij horen Hem en geloven. Waar blijft de kerk dan? In zijn naam moet bekering tot vergiffenis van de zonden gepredikt worden (Lc 24,47). Waar moet gepredikt worden en tot hoever? Laat niet een vreemde bruid uit een of andere uithoek naar voren komen en ten onrechte de plaats van de uwe innemen. Waar en tot hoever? Onder alle volken, te beginnen met Jeruzalem. Ziet u, wat u hoorde, daarmee wordt de kerk bedoeld. Maar toen de leerlingen die dingen hoorden, zagen ze niet een kerk verspreid onder alle volken. Ze zagen het één en geloofden in het andere. Zij zagen het hoofd en geloofden in het lichaam. Wij zien het lichaam en moeten geloven in het hoofd.
     Uit: Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; - Baarn : Ambo 1996, p. 126-127.

 

vierde zondag van de Paastijd, bij Johannes 10,11-18
uit Augustinus' sermo 137,4
Toen het evangelie werd voorgelezen hebt u het gehoord: "Wie door de deur naar binnen komt is de herder. Wie ergens anders naar binnen klimt is een dief en een rover. Die probeert alleen maar om het vee te verspreiden en uiteen te drijven en mee te nemen." (Joh 10,2.8-10) Wie komt binnen door de deur? Hij die binnenkomt door Christus. Wie is dat dan? Hij die het lijden van Christus navolgt en de nederigheid van Christus erkent. Ook al is God voor ons mens geworden, wij mensen moeten erkennen dat we zelf geen God zijn maar mensen. Wie God wil lijken terwijl hij mens is, is geen navolger van Hem die mens werd hoewel Hij God was.
     Er is u niet gezegd: "Wees kleiner dan u bent," maar: "Erken wat u bent. Erken dat u zwak bent, een mens, een zondaar. Erken dat de Heer rechtvaardig maakt en dat u bevlekt bent." Toon bij uw belijdenis de vlekken van uw hart, dan zult u bij de kudde van Christus horen. Wie zijn zonden belijdt vraagt aan een dokter om hem te genezen. Het gaat net als bij ziekte: wie zegt "ik ben gezond" gaat niet op zoek naar een dokter. (...) Mensen die zich verheffen willen langs een andere kant de schaapskooi binnenklimmen. Mensen die zich vernederen komen door de deur de schaapskooi binnen. Daarom wordt van de een gezegd "hij komt naar binnen" en van de ander "hij klimt naar binnen". Wie klimt, wie de hoogte zoekt, u ziet het voor u, komt niet binnen maar valt binnen. Maar wie zich bukt om door de deur naar binnen te gaan valt niet binnen, nee, hij is de herder.
      Uit: Aurelius Augustinus - De weg  komt naar u toe: preken over het Johannesevangelie; - Budel : Damon 2007, p. 248-249.

 

vijfde zondag van de Paastijd, bij Johannes 15,1-8
uit Augustinus' sermo 125A5
Wij eren God en God eert ons. Dat ik zeg "wij eren God" ac­cepteert iedereen. Dat ik zeg "God eert ons" stuit deze of gene mis­schien tegen de borst. Wij eren Hem, en Hij eert ons niet? Voor ons is het goed dat Hij ons eert door voor ons te zorgen. Want als Hij deze akker niet zou verzorgen raakt die vol doornen. Wat is een boer anders dan iemand die zijn ak­ker verzorgt? Luister dus naar Christus de Heer. Schrik niet als ­Hij zegt dat God u eert. Hij zegt: "Ik ben de wijnstok, jullie zijn de ran­ken en mijn Vader is de wijnboer (Vgl. Joh 15,1-8)." Dus wij eren God zodat we vruchtdragen en Hij eert ons door voor ons te zorgen. In beide gevallen gaat het om onze vruch­ten. We worden van on­vruchtbaar vruchtbaar en vrucht­dra­gend gemaakt. Droog en dor­stig als we zijn worden we door Hem gelaafd: een bron die niet kan op­drogen. Dat gebeurt allemaal voor ons. Laten we dank brengen aan Hem die ons heeft geschapen en ons heeft geroe­pen om met Hem te heersen.
     Uit: Aurelius Augustinus - De weg  komt naar u toe: preken over het Johannesevangelie; - Budel : Damon 2007, p. 111. 

 

 

zesde zondag van de Paastijd, bij Johannes  15,9-17
uit Augustinus' verhandeling over het Johannesevangelie 86,3
U moet eens zien, lieve mensen, hoe Christus geen mensen uitkiest die van zichzelf goed zijn.  Nee, de mensen de Heer uitkiest, maakt Hijzelf tot goede mensen. Hij zegt: "Ik heb jullie uitgekozen en Ik heb jullie de taak gegeven om je op weg te begeven en  vruchten voort te brengen die blijvend mogen zijn." (Joh 15,16) Op die vruchten doelde Hij toch toen Hij eerder zei: "Los van Mij kunnen jullie niets (Joh 15,5.)" Hij heeft ons dus uitgekozen en gemaakt om ons op weg te begeven en vruchten voort te brengen. Wij bezaten zelf dus geen vrucht waarom Hij ons zou uitverkiezen. "Om je op op weg te begeven en vruchten voort te brengen", zegt Hij. Wij begeven ons op weg om dan te dragen, en Hijzelf is de weg (Joh 14,6). Daarover gaan wij; daarop heeft Hij ons geplaatst om ons op weg te begeven. Zijn barmhartigheid heeft ons dus in alle opzichten voor­komen. "Om vruchten voort te brengen", zegt Hij, "die blijvend zijn. Dan zal de Vader u geven al wat gij Hem in mijn Naam vraagt." (Joh 15,16) Laat dan de liefde blijven. Die is immers onze vrucht. Die liefde bestaat nu in verlangen, nog niet in verzadiging. Zelfs om dit verlangen schenkt de Vader ons alles wat wij vragen in de naam van zijn eniggeboren Zoon. Maar wat voor ons heil niet voordelig is te ontvangen als wij gered moeten worden, mogen wij niet waard vinden om te in de naam van de Heiland. Wij vragen alleen in de naam van de Heiland wat te maken heeft met het wezenlijke van ons heil.
    Uit; een nog te publiceren vertaling van het Augustijns Instituut

 

Hemelvaartsdag, bij Handelingen 1,1-11 (en Ps 24,9)
uit Augustinus' sermo 377
"Hef, poorten, uw hoofden omhoog, verhef u, ingangen aloud, dat inga de koning der ere!" (Ps 24,9) Dit wordt in één en dezelfde psalm twee keer gezegd: het wordt herhaald na dezelfde woorden, alsof men zou kunnen denken dat het overbodig is en niet nodig. Maar in die herha­ling van dezelfde woorden moet u de doelein­den zien. Laat tot u doordringen waarom het tot twee keer toe werd gezegd. Kijk, de poorten van de hel en de hemel worden eigenlijk twee keer voor Hem geopend: één keer als Hij verrijst en één keer als Hij opstijgt. Het is toch ongewoon dat God in de hel is? Het is toch ook ongewoon dat een mens in de hemel is opgeno­men? Beide keren, op beide plaatsen worden de hoofden benauwd. Wie is dan de koning der ere? (Ps 24,8.10) Hoe kunnen wij deze twee nu onderscheiden? Luister hoe het antwoord aan beide hoofden luidt.
     Op hun vragen krijgen ze het volgende antwoord: "De Heer, machtig en triomfant! De Heer, triomfant in de strijd!" (Ps 24,8) In wat voor strijd? De dood onder­gaan voor de stervelin­gen, alleen lijden voor allen; hoewel almachtig zich niet verzetten, en toch overwinnen door te sterven. Die koning der ere is dus machtig, zelfs in de hel. Dit wordt ook herhaald voor de hemelse scharen: "Hef, poorten, uw hoofden omhoog, verhef u, ingangen aloud." Gaat het soms niet om de aloude ingangen waarvan Petrus de sleutels kreeg? (Mt 16,19) Maar omdat Christus de mens mét zich verheft, wordt daar over Hem gezegd alsof Hij niet wordt herkend: "Wie is dan de koning der ere?" Omdat Hij daar echter geen strijder meer is, maar overwinnaar en omdat Hij daar niet vecht, maar zegeviert, luidt het antwoord daar niet: "De Heer, triomfant in de strijd," maar: "De Heer der hemelse scharen. Hij is de koning der ere." (Ps 24,10).
     Uit: Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; - Baarn : Ambo 1996, p. 225-226.

zevende zondag van de Paastijd, bij Johannes 17,11-19
uit Augustinus' verhandelingen over het Johannesevangelie 107,4
"Ik blijf niet langer in de wereld," zegt de Heer over zijn leerlingen, "maar zij blijven in de wereld." (Joh 17,11) Als u kijkt naar het moment waarop Jezus dat zei, waren zij beiden nog in de wereld: Christus en zij over wie Hij sprak. Wij kunnen en mogen namelijk die uitspraak niet volgens de bevordering van geestelijk leven opvatten, alsof de apostelen nog in de wereld heten omdat zij nog smaak hadden voor het wereldse; en alsof Christus niet meer in de wereld heet omdat Hij smaak had voor het goddelijke. Er staat hier namelijk een woordje dat ons niet toestaat om het zo op te vatten. De Heer zei namelijk niet Ik ben niet in de wereld, maar: "Ik blijf niet langer in de wereld." En daarmee gaf Hij aan dat Hij in de wereld geweest is maar het niet meer is. Nu mogen wij toch niet geloven dat Christus ooit smaak gehad heeft voor het wereldse en daarna van dwaling verlost die smaak niet meer bezit. Wie zou zo'n oneerbiedige opvatting huldigen? Als uitleg blijft dus Christus' bedoeling dat zoals Hij tot nu toe in de wereld was, Hij nu niet meer in de wereld is, te weten met zijn lichamelijke aanwezigheid. Dat Hij zo opgevat weldra uit de wereld zou zijn, maar zijn leerlingen later, drukt Hij aldus uit dat Hij al niet meer hier was, zij echter wel, hoewel zowel Hij als zij nog hier waren. Zo heeft Hij zich nu eenmaal uitgedrukt als mensen dat onder elkaar doen volgens menselijk spraakgebruik. Zeggen wij niet elke dag "Hij is al weg" van iemand die op het punt staat te vertrekken? Vooral zeggen wij dat van mensen die op het punt staan dood te gaan. Trouwens, de Heer zelf heeft, als voorzag Hij wat de toekomstige lezers zou kunnen schokken, toegevoegd: "Ik kom naar U toe." Daarmee verklaard wat Hij bedoelde met dat "Ik blijf niet langer in deze wereld."
     Uit: een nog te publiceren vertaling van het Augustijns Instituut. 

Top 

Door het jaar mei-juli  

 

Pinksteren, bij Handelingen 2,1-11
uit Augustinus' sermo 266,2
Wij vieren vandaag het feest van de komst van de Heilige Geest. Want die kwam op de dag van Pinksteren, die al is aangebroken. Er waren honderdtwintig personen op één plaats bijeen. Onder hen bevonden zich de apostelen, de moeder van de Heer en andere mensen, mannen en vrouwen, die aan het bidden waren en wachtten op de vervul­ling van Christus' belofte, de komst van de Heilige Geest (Hnd 2,1 en 1,14-15). De hoop van de wachtenden was geen ijdele hoop, want de belofte van de Belover was geen loze belofte. Zij wachtten, en Hij kwam. En Hij trof reine vaten, waarin Hij kon worden opgevangen. Er verscheen hun iets dat op vuur geleek en dat zich, in tongen ver­deeld, op ieder van hen neerzette. En zij begonnen in vreemde talen te spreken, naarge­lang de Geest hun te vertolken gaf (Hnd 2,3-4). Iedere per­soon sprak in alle talen, omdat de toekomstige kerk hiermee in alle talen werd aangekon­digd. Eén persoon was het teken van de een­heid: alle talen in één persoon, dat betekent alle volkeren tezamen in eenheid. Degenen die vol waren, spraken; degenen die leeg waren, wisten niet wat ervan te denken, en wat erger is, ze wisten niet wat ervan te denken en maakten er beledigende opmerkingen over (Hnd 2,12-13). Ze zeiden: "Ze zijn dronken en ze zijn zich aan zoete wijn te buiten gegaan." (Hnd 2,13) Wat een domme en laster­lijke beledigingen. Een dronkeman leert geen vreemde taal, nee, hij raakt de zijne kwijt. Maar toch sprak de waarheid bij monde van die onwetende mensen met hun beledi­gingen. Ja, die honderdtwintig perso­nen waren zich echt te buiten gegaan aan jonge wijn, want zij waren nieuwe wijn­zakken geworden (Hnd 2,13, Mt 9,17, Mc 2,22 en Lc 5,37-38). Maar de oude wisten niet wat te denken van de nieuwe, en door die beledigingen werden de oude niet ver­nieuwd en ook niet gevuld. Maar uit­eindelijk ebde hun beledigende toon weg. Ze gingen luisteren naar de apostelen die aan het woord waren, een verklaring aflegden en door de genade van Christus predikten (Hnd 2,15). Door te luisteren werden ze geraakt, daar­door veranderd, en door die verandering begonnen ze te geloven. En door dat geloof verdienden ze dat te ontvangen, waarvan ze niet wisten wat ze ervan moesten denken bij anderen.
     Uit: Aurelius Augustinus - Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar; - Baarn : Ambo 1996, p. 229-230. 

Drievuldigheidszondag, Heilige Drie-eenheid bij Mattëus 28,16-20
uit Augustinus' sermo 64A,2
De Heer zei:: "Weet wel, Ik ben met jullie tot aan de voleinding van de wereld." (Mt 28,20) U denkt toch niet dat zij die toen de stem van de Heer hadden gehoord, hier moes­ten blij­ven tot aan de voleinding van de wereld? Nee, de Heer dacht niet alleen aan hen die moesten heengaan, maar ook aan de anderen die nog zouden volgen - en dat zijn niet alleen wij, maar ook degenen die in dit leven na ons zullen komen.­ En Hij zag allen verenigd in zijn ene lic­haam. Zij waren dus niet de eni­gen die de stem hoorden die zei: "Ik ben met jullie tot aan de voleinding van de wereld." Wij hebben haar ook ge­hoord. En als we haar toen hoorden zon­der het zelf te weten, dan hoorden we haar in ieder ge­val omdat Hij altijd al wist dat Hij met ons zou zijn.
   uit: Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het Matteüsevangelie; - Budel : Damon 2011 (tweede druk), p. 238. 

 

10e zondag door het jaar, bij Marcus 3,20-35
uit Augustinus' sermo 71,19-20
Met de hulp van de Heilige Geest vergeeft Christus de Heer dus zonden, net zoals Hij met de hulp van de Heilige Geest demonen uit­drijft. Dat valt althans op te maken uit wat Hij tegen zijn leer­lin­gen zei na zijn verrijzenis uit de doden. Hij sprak eerst de  woor­den: "Ontvang de Heilige Geest," (Joh 20,22) en ging onmiddellijk daarna door met: "Als jullie iemand zijn zonden vergeven, dan zijn ze ook ver­geven; als jullie ze niet vergeven, dan blijven ze bestaan." (Joh 20,23) Iets vergelijkbaars gebeurt ook bij de doop, de hergeboorte: ook daar vindt een totale vergeving van zonden plaats met de hulp van de Heilige Geest. De Heer zegt daarover: "Alleen wie herboren wordt uit water en Geest, is in staat het rijk van God binnen te gaan." (Joh 3,5) En geboren worden uit Geest is iets heel anders dan gevoed worden uit die Geest. Net zoals het iets heel anders is om geboren te worden uit een lichaam dan om gevoed te worden met dat lichaam. Het een gebeurt als een moeder haar kind baart, het ander als zij het de borst geeft. Het kind ligt lekker te drinken aan de borst van de moeder door wie het ter wereld is gebracht. Zo voedt zij het le­ven dat zij eerder heeft gegeven. 
     De eerste weldaad die de milde God ons gelovigen bewijst, is de vergeving van zonden met de hulp van de Heilige Geest. Daarom wordt het begin van de verkondiging van Johannes de Doper, die vóór de Heer uit was gezonden, als volgt beschreven: "In die dagen kwam Jo­han­nes de Doper in de woestijn van Judea verkondigen: Bekeer u, want het rijk der hemelen is ophanden." (Mt 3,1-2) En de verkondiging van de Heer be­gint op dezelfde manier, want verderop staat: "Vanaf toen begon Je­zus te verkondigen. Hij zei: Bekeer u, want het rijk der hemelen is ophanden." Mt 4,17) Johannes richtte zich tot hen die zich door hem kwa­men laten dopen, hij zei onder meer: "Ik doop u met water opdat u zich bekeert. Maar Hij die na mij komt, is krachtiger dan ik. Ik ben het niet waard om Hem zijn sandalen te brengen. Hij zal u dopen met Hei­lige Geest en vuur." (Mt 3,11) Ook de Heer zegt: "Immers, Johannes doopte met water, maar jullie zullen gedoopt worden met Heilige Geest, bin­nen enkele dagen." (Hnd 1,5) Met Pinksteren dus. 
     Je kunt in het woord vuur in de aankondiging van Johannes dat de Heer met vuur (Mt 3,11) komt dopen, natuurlijk de marte­lingen lezen, die de gelovigen te doorstaan zouden krijgen, omdat ze de naam van Chris­tus droegen. Toch is het helemaal niet zo vreemd om in het woord vuur ook een verwijzing naar de Heilige Geest te zien. Daarom staat er in de Schrift ook, als de Heilige Geest verschijnt op de dag van Pinksteren: "Er verschenen hun vurige tongen, die zich ver­spreidden en zich op ieder van hen neerzetten." (Hnd 2,3) Daarom zegt de Heer: "Ik kwam om vuur op de wereld te brengen." (Lc 12,49) En daarom zegt de apostel Paulus: "Wees vurig van geest (Rom 12,11), want dan branden we van lief­de." En de liefde wordt in onze harten uitgestort door de Hei­li­ge Geest die ons geschonken wordt (Rom 5,5). Maar: "De liefde van velen zal bekoelen." (Mt 24,12) Dit plaatst de Heer tegenover deze vurigheid. 
      De volmaakte gave van de Heilige Geest is de volmaakte lie­f­de. Maar daaraan voorafgaand komt er eerst een gave die tot de ver­ge­ving van zonden moet leiden. Door die weldaad worden wij aan de macht van de duisternis ontrukt. (Kol 1,13) Door ons geloof wordt de vorst van deze wereld buitengeworpen (Joh 12,31). Die is nog altijd aan het werk on­der de kinderen van het ongeloof (Ef 2,2). Hij krijgt die kans uitsluitend door hun medeplichtigheid met de zonde en hun gebondenheid eraan. Met de hulp van de Heilige Geest die Gods volk verzamelt en bijeen­brengt, wordt de onreine geest die innerlijk verdeeld is, uitgedre­ven (Mc 3,23-26). 
       Een onboetvaardige gezindheid gaat in tegen deze on­baat­zuch­tige gave van God, tegen zijn genade. En die onboetvaardigheid, dát is de lastering tegen de Geest die niet vergeven zal worden, niet in deze tijd en niet in de komende (Mc 3,28-29).
     uit: Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het Matteüsevangelie; - Budel : Damon 2011 (tweede druk), p. 238. 


11e zondag door het jaar,  bij Marcus 4,26-34
uit Ambrosius' uitleg van het Lucasevangelie 7,177-180
Als het rijk der hemelen dus als een mosterdzaadje is en het geloof dat ook is, dan is het geloof dus het rijk der hemelen en het rijk der hemelen het geloof. Wie daarom het geloof bezit, bezit het rijk der hemelen. Zowel het rijk als het geloof liggen dan binnen ons bereik. Wij lezen immers: "Het rijk van God ligt binnen uw bereik," (Lc 17,21) en elders: "Bewaar het geloof in u." (Mc 11,22) (...)
      Laten wij nu afgaan op wat mosterd vanuit zijn natuur is en beoordelen waar de kracht van de vergelijking in zit. Het zaadje ervan is beslist iets nietigs en simpels, maar begint men het stuk te wrijven, dan komt de kracht ervan naar buiten. Ook het geloof lijkt aanvankelijk eenvoudig. Maar als het door tegenkrachten wordt fijngewreven, verspreidt het zijn weldadige­ kracht, zodat het ook anderen die ervan horen of erover lezen met zijn goede geur vervult. Mosterdzaad zijn onze martelaren (...). Zij bezaten de geur van het geloof zonder dat men het wist. Toen er vervolging kwam, legden zij de wapens neer. Zij bogen de hals en verspreidden, eenmaal door het zwaard vermorzeld, over de gehele wereld hun weldadige getuigenis. Het mag terecht heten: "Hun boodschap klinkt over heel de aarde." (Ps 19,6) 
      Het geloof wordt soms stukgewreven, soms samengedrukt, soms wordt het onder druk gehouden, dan weer wordt het als zaad gezaaid. De Heer zelf is het mosterd­zaad. Onrecht was Hem nog niet aangedaan. Maar het volk kende Hem als mosterdzaad niet. Het had Hem nog niet aangeraakt. Zelf wilde Hij liever stukgewreven worden. Dan konden wij zeggen: "Wij zijn een reukoffer van Christus voor God." (2 Kor 2,15) Hij wilde liever dat men tegen Hem aandrong. Vandaar ook zei Petrus: "Al de mensen om U heen staan te duwen en te dringen." (Lc 8,45) Hij wilde liever worden uitgezaaid als een zaadje dat iemand kreeg en in zijn tuin zaaide (Mc 4,31). In de tuin toch is Christus gevangengenomen­ en begraven (Mc 14,32 en 43-52 en 15,42-47). In een tuin is Hij opgegroeid. Daar is Hij ook verrezen en een boom geworden zoals geschreven staat: "Als een kweeboom tussen het wilde hout, zo is mijn lief onder de jonge mannen." (Hl 2,3)
      Welnu, ook voor u geldt: zaai Christus in uw tuin - een tuin is in elk geval een plek vol bloemen en allerlei vruchten - laat daarin uw werken lief­lijk opbloei­en en naar alle kanten geur verspreiden van allerlei deugd. Laat dus waar vrucht is, Christus zijn. Zaai de Heer Jezus: Hij is een zaad wanneer men Hem vastgrijpt. Hij is een boom wanneer Hij verrijst, een wereldoverschaduwende boom. Hij is een zaad wanneer Hij in de aarde wordt begraven, een boom wanneer Hij zich ten hemel verheft. 
      uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand; - Budel : Damon 2005, p. 382-384. 

 

12de zondag door het jaar, bij Marcus 4, 35-41
uit Augustinus' sermo 63,2 

Hoort u harde taal, dan is dat de wind. Bent u boos, dan zijn dat de golven. En iedereen weet: als de wind waait en de golven stijgen, dan is de boot in gevaar, dan is je hart in gevaar, dan is je hart een speelbal van de golven. Als je harde taal hoort, dan zin je op wraak. Maar pas op! Wreekt u zich echt, dan bezwijkt u on¬der het kwaad van een ander en lijdt u zelf schipbreuk. En waarom? Omdat Christus in u slaapt. En dat Christus in u slaapt, wil zeggen dat u Hem vergeten bent. Maak Christus dus wakker, haal Hem u weer voor de geest. Laat Christus in u wakker worden, geef Hem de volle aandacht.
Wat wilde u ook alweer? O ja, u wreken. Is u dan ontgaan wat Hij zei, toen Hij werd gekruisigd? Hij zei: “Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.” (Lc 23,34) Hij die in uw hart sliep, heeft zich nooit willen wreken. Maak Hem wakker, denk weer aan Hem. Aan Hem denken is: luisteren naar wat Hij zegt. Aan Hem denken is: doen wat Hij gebiedt. En als Christus in u wakker is, zult u bij uzelf zeggen: “Wat voor iemand ben ik eigenlijk, dat ik me wil wreken? Wie ben ik dat ik een ander bedreig? Misschien sterf ik wel voordat ik me kan wreken! En wanneer ik, vlammend van woede, snakkend naar adem en dorstend naar wraak mijn lichaam verlaat, dan neemt Hij die zich niet heeft willen wreken, mij niet op. Dan neemt Hij die heeft gezegd: Geef en u zal gegeven worden (Lc 6,38), en: Vergeef, en u zal vergeven worden (Lc 6,37), mij niet op. Laat ik mijn woede dus bedwingen en terugkeren naar de rust van mijn hart.”
     uit:  Aurelius Augustinus - Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het Matteüsevangelie; - Budel : Damon 2011 (tweede druk), p.  224-225.

 


geboorte van de heilige Johannes de Doper,  bij Lucas 1,57-66.80
uit Augustinus' sermo 288,1
Het feest van deze dag brengt ons door zijn jaarlijkse terugkeer weer in herinnering dat de voorloper van de Heer op een wonderbaarlijke manier is geboren vóór Hemzelf, de wonderbaarlijke. Het is dus vandaag wel bijzonder gepast zijn geboorte te overdenken en te verheerlijken. Aan die wonderbaarlijke gebeurtenis is immers jaarlijks een dag gewijd om te voorkomen dat de weldaden van God en de grote werken van de Allerhoogste vergeten worden en daardoor uit onze harten weggewist. 
      Johannes werd dus als de heraut van de Heer vóór Hem uitgezonden, maar hij was door Hem gemaakt. Alles is immers door Hem gemaakt en zonder Hem is niets gemaakt (Joh 1,3). Er werd een mens gezonden vóór de mens die God was: hij herkende zijn Heer en kondigde zijn Schepper aan. De Heer was al op aarde aanwezig, toen Johannes Hem met zijn geest zag en met zijn vinger aanwees. Dit zijn namelijk de woorden die hij sprak, toen hij de Heer aanwees en zijn getuigenis aflegde: "Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt." (Joh 1,29) Niet zonder reden had dus een onvruchtbare vrouw de heraut gebaard, een maagd de rechter. In de moeder van Johannes werd de onvruchtbaarheid vruchtbaar (Lc 1,7-24), in de moeder van Christus werd de ongereptheid niet door de vruchtbaarheid geschonden (Lc 1,30-35). 
      Wanneer u allen met geduld, rustige belangstelling en aandachtig stilzwijgen mij in staat stelt om met de hulp van de Heer te zeggen wat Hij mij te zeggen geeft, dan zal ongetwijfeld de vrucht van uw aandacht en de beloning voor mijn ijver erin bestaan dat ik in uw oren en harten iets binnenbreng dat verband houdt met een groot geheim. 
     uit: Aurelius Augustinus - De goede geur van Christus: preken over heiligen; - Budel : Damon 2010, p. 168-169. 


13e zondag door het jaar, bij Marcus 5,21-43
uit Augustinus' sermo 229K,1-2
Christus wordt beter door het geloof dan met het lichaam aangeraakt. Echt aanraken is Christus door het geloof aanraken. Met geloof naderde Hem die vrouw, die aan bloed­vloeiing leed, en zij raakte met haar hand zijn mantel: zij raakte met geloof zijn maje­steit (Mc 5,25-28). Zie nu wat aanraken is! De Heer die door het gedrang van de menigte in verdrukking kwam, werd door één vrouw aange­raakt. Hij zei immers: "Wie heeft Mij aangeraakt?" (Lc 8,45) De leerlin­gen verwonderden zich omdat er van alle kanten een menigte tegen Hem aandrong. Zij antwoordden: "Een menigte dringt tegen U aan en U vraagt: Wie heeft Mij aangeraakt?" Maar Hij zei: "Iemand heeft Mij aangeraakt." (Mc 5,31) Als de menigte tegen U aandringt, raakt zij niet aan. Waarom anders heeft die vrouw U aangeraakt, dan omdat zij geloofde? 
     Maar nu, broeders en zusters, is Jezus in de hemel. Toen Hij bij de leerlingen was in een zichtbaar lichaam en in een tastbaar lichamelijk wezen, is Hij gezien en aangeraakt. Maar wie van ons kan Hem aanraken, nu Hij gezeten is aan de rechterhand van de Vader? Wee ons, als wij Hem niet met geloof aanraken! Wij allen die geloven, raken aan. Zeker, Hij is in de hemel. Jazeker, Hij is ver weg. Ongetwijfeld is niemand bij machte in te schatten hoe onmetelijk ver Hij van ons is verwijderd. Geloof en u raakt aan. Waarom ik zeg: "U raakt aan"? Omdat u gelooft, draagt u degene bij u in wie u gelooft. 
     uit: Aurelius Augustinus - Als lopend vuur: preken voor het liturgisch jaar 2; - Amsterdam : Ambo 2001, p. 139.

 


14e zondag door het jaar,  bij Marcus 6,1-6
uit Ambrosius' uitleg van het Lucasevangelie 4,46
"Ik verzeker u: geen profeet is zijn vaderstad welgeval­lig." (vgl. Mc 6,4) Meer dan normaal komt hier afgunst om de hoek kijken; aan sympathie van burgers voor elkaar wordt niet meer gedacht, maar wat een reden tot liefde moest zijn, wordt omgebogen tot bitter haatgevoel. Bovendien wordt zowel door het voorbeeld van Jezus als door wat Hij zegt te kennen gegeven dat u tevergeefs naar de hulp van hemelse barmhartigheid uitziet, als u met een jaloerse blik kijkt naar het succes van andermans deugd. De Heer wijst immers wie afgunstig is af en houdt de wonderen van zijn almacht weg van mensen die vitten op wat Hij bij anderen aan goeds teweegbrengt. De daden van de Heer als mens­ zijn immers een afspie­geling van zijn godheid en zijn onzichtbaar wezen wordt door het zichtbare (Rom 1,20) voor ons aanschouwlijk gemaakt. 
     De verontschuldiging van onze zaligmaker geen wonderen van eigen kracht in zijn vaderstad te hebben gedaan, is dus niet voor niets: men mocht niet denken dat vaderlandsliefde voor ons van minder waarde zou zijn. Want omdat Hij van allen hield, kon Hij ook onmogelijk medeburgers uitsluiten van zijn liefde. Nee, zijn eigen stadgenoten wezen uit afgunst die vaderlandsliefde af. De liefde is immers niet afgunstig; zij verbeeldt zich niets (1 Kor 13,4). Toch is Christus' vaderstad niet verstoken gebleven van Gods welda­den. Welk wonder was er immers groter dan dat de menswording van Christus daar plaatsgevonden had. Zie dus hoeveel kwaad afgunst­ teweegbrengt. Door afgunst was de vaderstad niet goed genoeg om Christus daar als medeburger zijn werk te laten verrichten. Maar de stad was wel goed genoeg om de menswording van Gods Zoon daar te laten plaatsvinden­­. 
     uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geesdt en ook met mijn verstand; - Budel : Damon 2005, p. 196-197.


15e zondag door het jaar, bij Marcus 6,7-13
uit Ambrosius' uitleg van het Lucasevangelie 6,65-67
Als de mensen u niet ontvangen, ga er dan weg en schud het stof van uw voeten als een getuigenis tegen hen. (vgl. Mc 6,11) Wat voor iemand het moet zijn die het rijk van God als blijde boodschap gaat verkondigen, wordt met evangelische raden beschreven: zonder staf, zonder reiszak, zonder schoeisel, zonder brood en zonder geld (Mc 6,8-9) Dat wil zeggen: je bent niet op zoek naar hulpmiddelen die in onze wereld steun bieden, maar neemt gerust in geloof aan dat hoe minder je zulke dingen zoekt, ze je des te meer kunnen toevallen. Deze voorschriften kan men desge­wenst op de verklaring laten uitlopen dat met deze passage alleen maar een geestelijke houding wordt aangekweekt: deze slaat niet alleen een machtspositie af en geeft niet om rijkdom, maar ook zegt hij de verlokkingen van het vlees vaarwel en lijkt zo bij wijze van spreken iets van zijn lijf als een kledingstuk uitgedaan te hebben. 
     Allereerst wordt werkers voor het evangelie het algemeen geldende gebod gegeven van vrede en volharding: zij moeten vrede brengen, ter plaatse blijven en de rechten van de gastvriendschap­ eerbiedigen. Want de Heer verzekert dat wie het rijk der hemelen verkondigt, niet van het ene huis naar het andere moet lopen en daarmee de regels van onschendbare gastvrijheid geweld aandoen (Mc 6,10). Nee, zoals men vindt dat de weldaad van een gastvrije ontvangst dient te worden aangeboden, zo wordt ook voorgeschreven dat men het stof van zich af moet schudden en uit de stad weg moet gaan als men niet ontvangen wordt. Hiermee wordt aangegeven dat de beloning voor oprechte gastvrijheid niet gering is: wij brengen niet alleen vrede aan wie ons gastvrij opnemen (Mt 10,13), maar ook worden alle fouten van aards en lichtzinnig gedrag die als schaduw over hen heen hangen, weggenomen.­ De apostolische prediking heeft immers bij hen vaste voet aan de grond gekregen. Niet overbodig is de bepaling bij Matteüs dat de apostelen moeten onderzoeken welk huis het waard is er binnen te gaan (Mt 10,11). Dan is er geen reden om van onderdak te wisselen en inbreuk te maken op de band van gastvrijheid. Zulke voorzorgsmaatregelen mag de gastheer niet nemen­. Men mag bij gasten geen voorkeur laten gelden; daar zou de gastvrijheid zelf onder lijden. Hierin ligt naar de letter een eerbiedwaardig voorschrift uitgedrukt over het godsdienstige karakter van de gastvrije ontvangst. 
    uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand; - Budel : Damon 2005, p. 287-288. 


16e zondag door het jaar,  bij Marcus 6,30-34
uit Beda Venerabilis' Homiliarum euangelii libri duo 2,20
Het grote geluk van die dagen kan men afleiden van het harde werken door wie onderricht gaven, en van het enthousiasme van wie onderricht kregen. Ach, mocht ooit  in onze dagen weer eens zo'n grote toeloop van gelovigen zich verzamelen rondom de verkondigers van het woord...
Latijnse tekst: uit Beda Venerabilis, In Marcum euangelii expositio 2,6,31 = CCSL 120, 510, 844-848. 

 

17e zondag door het jaar , bij Johannes 6,1-15
uit Augustinus' verhandelingen over het Johannesevangelie 24,1 

De wonderen die onze Heer Jezus Christus heeft gedaan, zijn zonder twijfel goddelijke daden. Ze sporen het menselijk verstand aan om vanuit het waarneembare kennis van God op te doen. Gods wezen is immers niet van dien aard dat je het met de ogen kunt zien, en de wonderen waarmee Hij het heelal leidt en heel de schepping bestuurt, zijn doordat ze nooit ophouden zo gewoon geworden dat bijna niemand nog de moeite neemt om aandacht te schenken aan de wonderlijke, ja de verbluffende werken van God in bijvoorbeeld een zaadkorrel. Daarom heeft Hij in zijn barmhartigheid een aantal wonderen achter de hand gehouden die Hij op een geschikt moment zou kunnen verrichten, buiten de gewone loop en orde van de natuur om, zodat de mensen voor wie de dagelijkse wonderen zo gewoon waren geworden, versteld zouden staan - niet omdat ze nog grotere wonderen zien, maar omdat ze ongebruikelijke dingen zien. Want het besturen van heel de wereld mag dan wel een wonder zijn dat groter is dan het verzadigen van vijfduizend mensen met vijf broden (Vgl. Joh 6,1-14), maar toch verbaast niemand zich over het eersteen zijn de mensen wel verbaasd over het tweede - niet omdat het een groter wonder is maar omdat het zo ongewoon is. Maar wie anders voedt ook nu de hele wereld dan Hij die uit een paar korrels hele oogsten schept?
     Christus handelde dus als God. Door hetzelfde vermogen waardoor Hij een paar korrels tot hele oogsten vermenigvuldigt, heeft Hij in zijn handen de vijf broden vermenigvuldigd. Er lag immers macht in de handen van Christus, en die vijf broden waren als het ware zaden, nu alleen niet aan de aarde toevertrouwd maar vermenigvuldigd door Hem die de aarde heeft gemaakt.
     Dit is dus aan de zintuigen voorgeschoteld om de geest te prikkelen. Het is aan de ogen, het oefenterrein van het verstand, getoond om te bereiken dat wij de onzichtbare God door zijn zichtbare werken bewonderen, en om te bereiken dat wij, geprikkeld tot geloof en door geloof gezuiverd, ernaar verlangen op onzichtbare wijze Hem te zien die wij vanuit het zichtbare als de onzichtbare leren kennen. 
   Uit: een ongepubliceerde vertaling Augustijns Instituut

Top

 

Door het jaar aug-sept  

18e zondag door het jaar bij Joh 6,24-35 
uit Augustinus'  verhandelingen over het Johannesevangelie 24,10

     Jezus zei: "Waarachtig, Ik verzeker u: u zoekt Mij niet omdat u tekenen hebt gezien, maar omdat u mijn brood hebt gegeten. (Joh 6,26) U zoekt Mij vanwege het stoffelijke, niet vanwege het geestelijke." Hoeveel mensen zoeken Jezus niet om weldaden van Hem te ontvangen die maar tijdelijk zijn? De een is verwikkeld geraakt in een proces en zoekt de bemiddeling van de geeste­lijken. De ander wordt in het nauw gebracht door een machtig persoon en zoekt zijn toevlucht in de kerk. Een derde wil dat er voor hem een goed woordje wordt gedaan bij iemand die zich weinig aan hem gelegen laat liggen. De een zus, de ander zo. De kerk zit iedere dag vol met zulke mensen. Men zoekt Jezus nauwelijks omwille van Jezus. "U zoekt Mij niet omdat u tekenen hebt gezien, maar omdat u mijn brood hebt gegeten. U moet geen moeite doen voor voedsel dat vergaat, maar voor voedsel dat blijvend is en eeuwig leven geeft. (Joh 6,27) U zoekt Mij nu om iets anders, maar u moet Mij zoeken om wie Ik ben." Hij geeft immers te kennen dat Hijzelf dat voedsel is. Dat komt in het vervolg naar voren: "De mensen­zoon zal het u geven." (Joh 6,27) U verwachtte, denk ik, opnieuw brood te eten, opnieuw te gaan zitten, opnieuw gevoed te worden. Maar Hij had het over voedsel dat niet vergaat, maar blijvend is en eeuwig leven geeft.
     uit: een nog ongepubliceerde vertaling van het Augustijns Instituut

 


19de zondag door het jaar, bij Joh 6,41-51
uit Augustinus' verhandelingen over het Johannesevangelie 26,4

Als u leest: "Niemand kan bij Mij komen tenzij de Vader hem trekt," (Joh 6,44) mag u niet denken dat u tegen uw wil getrokken wordt. Ook door liefde kan men geestelijk worden getrokken. En we hoeven niet bang te zijn dat letterknechten die in de verste verte geen inzicht hebben in de goddelijke werkelijkheid, ons bij dit evangeliewoord uit de Heilige Schrift misschien op de vingers tikken en ons vragen: "Hoe kan ik nou uit eigen wil geloven als ik word getrokken?" Ik stel dan: het is maar een deel van het verhaal dat je door je eigen wil wordt getrokken, je wordt ook door verlangen getrokken. Wat dat is, door verlangen getrokken worden? "Zoek uw verrukking bij de Heer en Hij zal geven waar je hart om vraagt." (Ps 37,4) Er bestaat een soort geestelijk verlangen dat dat hemelse brood als aangenaam ervaart.
       Verder heeft de dichter Vergilius mogen zeggen: Ieder wordt getrokken door zijn verlangen (Eclogae 2,65) - niet door dwang maar door verlangen, niet door verplichting maar door verrukking - met hoeveel meer nadruk moeten wij dan stellen dat je tot Christus wordt getrokken, als de waarheid je in verrukking brengt, het geluk je in verrukking brengt, de gerechtigheid, het eeuwige leven - want dat is Christus allemaal. Of hebben de lichamelijke zintuigen hun eigen verlangens maar ontbreekt het de ziel aan eigen verlangens? Als de ziel niet zijn eigen verlangen bezit, hoe kan dan worden gezegd: "De mensenkinderen mogen hopen op de bescherming van uw vleugels. Zij zullen dronken worden van de overvloed van uw huis. U lest hun dorst met een stroom van vreugden, want bij U is de bron van het leven, in uw licht zien wij licht." (Ps 36,8-10)
       Wie liefheeft weet wat ik bedoel. Wie diepe verlangens heeft, wie honger lijdt, wie in deze woestijn zwerft en dorst heeft en smacht naar de bron van het eeuwige vaderland, zo iemand weet wat ik bedoel. Maar als ik spreek met een onverschillig mens, dan heeft die geen idee waarover ik het heb. Onverschillig waren de mensen die daar onder elkaar mopperden. "Wie door de Vader wordt getrokken," zegt Christus, "komt bij Mij." (Joh 6,44)
      uit: een nog ongepubliceerde vertaling van het Augustijns Instituut

 

 

20e zondag door het jaar bij Joh 6,51-58
uit Augustinus' verhandelingen over het Johannesevangelie 26,13
 
     Broeders en zusters, u moet goed begrijpen wat ik bedoel. U bent mens en u heeft zowel een geest als een lichaam. Geest noem ik wat ook als ziel wordt aangeduid, datgene waardoor u mens bent. Want u bestaat uit ziel en lichaam. U heeft dus een geest die onzichtbaar is en een lichaam dat zichtbaar is. Vertel mij nu eens: wat leeft dankzij wat? Leeft uw geest door uw lichaam of leeft uw lichaam door uw geest? Het antwoord van iedereen die leeft - en als iemand hier geen antwoord op heeft, dan weet ik niet of hij wel leeft ... hoe luidt het antwoord van iedereen die leeft? "Mijn lichaam leeft natuurlijk door mijn geest." Wilt u dus ook leven door de Geest van Christus? Dan moet u deel uitmaken van het lichaam van Christus. Míjn lichaam leeft toch immers niet door úw geest? Nee, míjn lichaam leeft door míjn geest en úw lichaam door úw geest. Zo kan het lichaam van Christus alleen leven door de Geest van Christus. Vandaar dat Paulus bij zijn uitleg van wat dit brood betekent, zegt: "Wij vormen, hoewel met velen, één brood en één lichaam." (1 Kor 10,17) Wat een geheim vol liefde, wat een teken van eenheid, wat een band van liefde! Wie leven wil, heeft een plek waar hij kan leven en een bron waaruit hij kan leven! Laat hij naderen, laat hij geloven en deel gaan uitmaken van het lichaam om tot leven te komen. Laat hij er niet voor terugschrikken om met andere ledematen in een groter geheel verbonden te worden. Laat hij niet een afstervend lichaamsdeel zijn dat moet worden weggesneden, of een mismaakt lichaamsdeel waar men zich voor schaamt. Laat hij een mooi, harmonieus en gezond lichaamsdeel zijn. Laat hij zich binden aan dat lichaam en laat hij door God leven voor God. Nu moet hij zwoegen op aarde, dan zal hij later als koning heersen in de hemel! 

     uit:  een nog ongepubliceerde vertaling van het Augustijns Instituut

 

21e zondag door het jaar bij Joh 6,60-69
uit Augsutinus' verhandelingen over het Johannesevangelie 27,5
     Wat betekent nu die toevoeging: “De Geest maakt levend, het lichaam dient tot niets"? (Joh 6,63) Laten we het vragen aan de Heer. Hij vindt het helemaal niet erg als we meer willen weten, zolang we Hem maar niet tegenspreken: "Heer, goede Meester, hoe is het mogelijk dat het lichaam tot niets dient? U hebt toch zelf gezegd: 'Wie mijn lichaam niet eet en mijn bloed niet drinkt, heeft geen leven in zich'? (Joh 6,53) Dient het leven dan nergens toe? Maar waarom zijn wij dan wat we zijn? Dat is toch om het eeuwige leven te hebben dat U ons belooft door uw lichaam? Wat houdt het dan in dat het lichaam tot niets dient?"
       Het dient tot niets, in ieder geval in de interpretatie die zij gaven. Zij vatten lichaam namelijk op in de betekenis van vlees zoals dat van een kadaver wordt gescheurd of zoals het in de slagerij wordt verkocht, niet zoals het door de geest wordt bezield. Daarom staat de uitspraak "Het lichaam dient tot niets" op één lijn met de uitspraak "Kennis maakt verwaand." (1 Kor 8,1) Moeten we de kennis dan maar haten? Welnee. Wat houdt dat: "Kennis maakt verwaand” dan wel in? Het verwijst naar kennis zonder meer, naar kennis zonder liefde. Daarom liet Paulus erop volgen: "Maar de liefde bouwt op." (1 Kor 8,1) Voeg dus de liefde toe aan de kennis en de kennis wordt nuttig, niet door zichzelf maar door de liefde. Zo geldt ook hier dat het lichaam tot niets dient, althans het lichaam zonder meer. Laat de geest zich voegen bij het lichaam, zoals de liefde zich voegt bij kennis, en het lichaam dient tot heel veel. Want als het lichaam tot niets zou dienen, was het Woord geen vlees, geen lichaam geworden om onder ons te wonen (Joh 1,14).
      Uit een nog ongepubliceerde vertaling van het Augustijns Instituut

 

22e zondag door het jaar bij Mc 7,1-23
uit Ambrosius' uitleg van het Lucasevangelie 7,78-79
     De joden houden zich aan de over­levering van mensen en verwaarlozen die van God (Mc 7,1-5). De leerlingen zetten Gods overlevering voorop en verwaarloosden die van mensen. Zij wasten hun handen dan ook niet bij het eten van het brood, want wie helemaal in bad is geweest hoeft zijn handen niet meer te wassen (Joh 13,10). Jezus had aan hen de wassing gedaan. Zij waren niet naar een tweede op zoek. Christus heeft toch met zijn ene doopsel alle wassingen ongedaan gemaakt. Zodoende hoeft wie door de kerk is gewassen, zich niet opnieuw te wassen. De leerlingen hadden hun aandacht dus bij het geheim en maakten zich niet druk over het verzorgen van hun uiterlijk maar van hun ziel. De joden gaven hierover hun afkeuring te kennen maar worden scherp door de Heer van antwoord gediend dat zij inhoudsloze gebruiken in stand hielden en geen oog hadden voor wat voor hen nuttig zou zijn. Daarom antwoordde Hij hun: "Waarom zegt u tegen vader en moeder die u volgens voorschrift van de wet moet eren: Elke gave van mij aan de tempel komt u heus wel ten goede?" (Mt 15,4-5) Dat wil zeggen: een vader of moeder vragen in hun behoeftige omstandigheden een bijdrage voor hun levensonderhoud aan hun zoon; deze is als jood bang voor de wet maar zoekt een uitvlucht om niet te geven en zegt dan gewoon: "Het is offergave voor de tempel wat van mij aan u ten goede zal komen." En dan moet zo'n vrome vader ervoor terugschrikken om geld aan te nemen dat aan God is toegezegd (Mc 7,11). Maar dit is overlevering van mensen die met uitvluchten hun hebzucht bemantelen. Daar staat Gods overlevering tegenover om eerst het onderhoud van vader en moeder veilig te stellen. Want als volgens Gods uitspraak een smadelijke behandeling van ouders met de dood wordt gestraft (Ex 21,17), hoeveel te meer dan de honger van de ouders die nog erger is dan de dood!
     In deze passage stelt de Heer paal en perk aan misplaatste hoogmoedswaan. Alleen om een grote naam onder de mensen brengen velen naar de kerk toe wat ze van hun naaste verwanten wegbrengen, terwijl toch milddadigheid moet beginnen bij de plicht voor eigen familie. Geef eerst aan vader of moeder, geef ook aan de arme, geef aan die priester wat u aan aards bezit te missen hebt; dan kunt u van hem het geestelijke ontvangen wat u nog ontbreekt. Wie iemand namelijk eert, zal zelf ook geëerd worden. Let er daarom op dat die priester bij het ontvan­gen ook geeft! Hij ontvangt niet als een arme, maar als iemand die u met een ruimere maat zal terugbetalen. Geef aan de arme om hem rust te gunnen: dan zult u hem in zijn nood van het uwe meedelen en zelf ook rust krijgen! Overigens spreekt de Schrift wel van de plicht om voor het onderhoud van vader en moeder te zorgen maar ook van de noodzaak de ouders omwille van God te verlaten als ze iemands geestelijke toewijding in de weg staan (Mc 7,11).
      Uit: Ambrosius van Milaan - Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; - Budel : Damon 2005, p. 449-451.

 

23e zondag door het jaar bij Mc 7,31-37
uit Ambrosius' Geheimen 1,1
    Welnu dan, wat hebben wij zaterdag verricht? De opening van de oren, niet waar? Deze geheimvolle riten van de opening zijn gevierd, toen de bisschop u de oren en neus heeft aangeraakt. Wat betekent dat? in het evangelie raakte onze Heer Jezus Christus, toen een doofstomme bij Hem werd gebracht, diens oren en mond aan; de oren omdat hij doof, de mond omdat hij stof was. En Hij zei daarbij: "Effata!" (Mc 7,34) Dat is een Hebreeuws woord. Het betekent in onze taal: "Ga open!" Daarom heeft dus de bisschop u de oren aangeraakt om uw oren te openen voor het woord en de toespraak van de bisschop. Maar vraagt u mij: "Waarom de neus?" In het evangelie raakte Jezus de mond aan, omdat het een stomme was. Omdat die stomme niet spreken kon over de hemelse geheimen, kreeg hij zo van Christus de spraak. ... Bovendien is de reinheid van de dienaar niet even groot als die van zijn Heer. Want hoe kan men hen met elkaar vergelijken, omdat daar de Heer de zonden kwijtscheldt en aan de dienaar zijn zonden vergeven worden. De bisschop raakt daarom uit eerbied voor de handeling en zijn functie niet de mond maar de neus aan. Waarom de neus? Om de goede geur van eeuwige liefde te ontvangen en u zoals de apostel Paulus kunt zeggen: "Wij zijn de goede geur van Christus voor God" (2 Kor 2,15). Moge u dan vervuld raken van de geur van geloof en godsdienstige toewijding.
     Uit: Ambrosius van Milaan, Over de geheimen; - Brugge / Utrecht : Desclée de Brouwer 1964, p. 19-20.

 

24e zondag door het jaar bij Mc 8,27-35
uit Augustinus' sermo 76,1 
     
Het evangelie dat zojuist werd voorgelezen, gaat niet alleen over de Heer Jezus Christus die over het water van het meer liep (Mt 14,24-33), maar ook over de apostel Petrus die, terwijl hij hetzelfde deed, uit angst onzeker werd, uit gebrek aan vertrouwen begon te zinken, maar uit vertrouwen weer bovenkwam. Dit ver­haal spoort ons aan om het meer te zien als de huidige tijd en de apos­tel Pe­trus als ­­­het beeld van de en­ige kerk. Petrus is namelijk de eer­ste in rang on­der de aposte­len (Mc 6,3) en de ­meest spontane in de liefde voor Christus. Vaak is híj het die namens de hele groep spreekt. Toen de Heer Jezus Chris­tus zijn leerlingen eens vroeg wie Hij volgens de mensen was (Mc 8,27), ant­woordden zij dat de mensen daar verschillende opvattingen over hadden (Mc 8,28). Maar toen Hij daar­op vroeg: "En jullie, wie ben Ik vol­gens jullie?" (Mc 8,29) was het Pe­trus die antwoordde: "U bent de Christus, de Zoon van de le­ven­de God." (Vgl. Mc 8,29) Alleen Petrus geeft dat antwoord, namens de groep, alleen Petrus verte­gen­woor­digt de een­­heid binnen de groep.
    Uit: Aurelius Augustinus, Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs; - Amsterdam : Ambo 2004 / Budel :  2011, p. 382.

 

25e zondag door het jaar bij Mc 9,30-37
uit Augustinus' sermo 145,6
    De leerlingen van de Heer Jezus Christus zaten dus nog vast aan de wetten van de wereld: zij hadden nog behoefte aan voedsel, aan bijsturing, aan leiding. Zij hadden namelijk nog begeerten, al zei de wet: "U zult niet begeren." (Ex 20,17 en Dt 5,21) De leiders van de kudde, die heilige rammen, zijn vast niet boos over mijn woorden. Ze zijn vast niet boos, want ik spreek de waarheid. Het evangelie vertelt dat zij ruzie hadden over wie de grootste onder hen was. En terwijl de Heer nog op aarde was rolden ze over elkaar heen om uit te maken wie de eerste was (Mc 9,34). Hoe dat kwam? Alleen door de oude gewoonten (1 Kor 5,7). Hoe dat kwam? Alleen door de wet in hun lichaam, die strijd voerde tegen de wet van hun verstand (Rom 7,21). Ze wilden aan de top staan, ja dat was inderdaad hun grootste wens. Ze braken zich het hoofd over wie de grootste was. Daarom wordt hun hoogmoed verstoord door een jongetje. Jezus roept een klein kind bij zich om hun hoge ambities af te remmen (Mc 9,33-37).
      Uit: Aurelius Augustinus, De weg komt naar u toe: preken over teksten uit het Johannesevangelie; - Budel : Damon, 2007/2011, p. 326.

 

26e zondag door het jaar bij Mc 9,38-48 
uit Augustinus' verhandeling over de bergrede 1,37  
Vervolgens zegt de Heer: “Maar als uw rechteroog u doet struikelen, ruk het dan uit en gooi het weg. Want het is beter voor u dat een van uw ledematen verloren gaat, dan dat heel uw lichaam naar de hel gaat.” (Mt 5,29; vgl. Mc 9,43-47) Er is grote moed vereist om ledematen uit te rukken. Wat het oog ook verbeeldt, zonder twijfel is het iets wat men intens liefheeft. Wie zijn liefde voor een ander krachtig wil verwoorden, pleegt die ander zijn oogappel te noemen. Dat er in de Schrift sprake is van rechteroog, duidt er misschien op hoe dierbaar het is. Hoewel onze lichamelijke ogen zich gezamenlijk inspannen om te zien en door beider inspanning tot evenveel in staat zijn, vinden de mensen het toch erger hun rechteroog te verliezen. En dan is dit de betekenis: wat het ook is wat u zó liefhebt dat u het als uw rechteroog ziet, als het u doet struikelen, als het voor u een beletsel is voor het ware geluk, ruk het uit en gooi het weg. Want het is beter voor u dat er een van verloren gaat -  van al datgene wat u zó liefhebt dat het als een lichaams­deel aan u vastzit - dan dat heel uw lichaam naar de hel gaat.
    uit: Aurelius Augustinus, Het huis op de rots: ver de bergrede; - Amsterdam : Ambo 2000 / 2001 en Budel : Damon, 2004 / 2011, p. 86.

Top

 

Door het jaar okt-nov 

 

 

27e zondag door het jaar bij Mc 10,2-16
uit Ambrosius' uitleg van het Lucasevangelie 8,2-3
     Wie zijn vrouw verstoot en met een andere trouwt, pleegt echtbreuk en ook wie trouwt met een vrouw die door haar man is verstoten, pleegt echtbreuk (Lc 16,18; vgl. Mt 19,9 en Mc 10,11-12). Eerst moeten we volgens mij bespreken wat de wet over het huwelijk zegt. Dan kunnen we het naderhand hebben over het verbod om te scheiden. Volgens sommigen immers komt ieder huwelijk van God, hoofdzakelijk op grond van de tekst: "Wat God verbonden heeft, moet een mens niet scheiden." (Mc 10,9) Als nu ieder huwelijk van God komt, dan is elk huwelijk onontbindbaar. 
     Waarom zei de apostel Paulus dan: "Wil de niet-gelovige partij scheiden, laat haar dan scheiden"? (1 Kor 7,15) Dat is wonderbaarlijk mooi uitgedrukt. Van de ene kant wilde Paulus niet dat er bij christenen een grond voor echtscheiding bleef bestaan; anderzijds gaf hij te kennen dat niet ieder huwelijk van God komt. Want als christelijke vrouwen met heidense mannen een echtpaar vormen, is dat niet op gezag van God. In de wet geldt daarvoor immers een verbod (Vgl. Ex 34,16, Dt 7,3 en Neh 13,23-39). 
     Maar nu stoten wij op die spreuk van Salomo: "Huis en have zijn een erfenis van de vaderen, maar een verstandige vrouw komt van de Heer." (Spr 19,4) Wie deze zin in het Grieks leest, vindt er geen tegenstelling in met het voorafgaande, want in de Griekse tekst staat heel toepasselijk het woord harmozetai: wordt harmonisch verbonden. Van harmonie is namelijk sprake als er een geschikte en mooie verhouding tussen alle elementen bestaat. Er bestaat harmonie wanneer met bij elkaar passende orgelpijpen een mooie melodie wordt gespeeld en wanneer met zuiver gestemde snaren fraaie akkoorden blijven klinken. Van harmonie is bij een huwelijk geen sprake wanneer een heidense vrouw tegen de wet in verbonden wordt aan een christelijke man. Waar dus sprake is van een huwelijk, daar is harmonie. Waar harmonie is, daar komt de binding van God. Waar geen harmonie is, bestaan twist en tweedracht. Die komen niet van God, want God is liefde (1 Joh 4,8).
     Uit: Ambrosius van Milaan, Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand; - Budel 2005, p. 412-413.

 

28e zondag door het jaar bij Mc 10,27-30
uit Augustinus' sermo 86, 1-3
     In de lezing van zojuist heeft het evangelie me aangespoord om het met u te hebben over de hemelse schat (Mc 10,21), geliefde broeders en zusters. Natuurlijk heeft onze God, in weerwil van wat hebzuchtige ongelovigen denken, nooit gewild dat we ons bezit zouden prijsgeven. Als we dat wat ons is voorgeschreven, goed begrijpen, eerbiedig geloven en van harte aanvaarden, dan zien we dat Hij ons niet voorschrijft om het prijs te geven, maar dat Hij ons een plaats aanwijst om het te deponeren. Want het enige wat mensen doen, is aan hun schat denken, en langs een of andere weg in het hart achter hun rijkdom aanlopen. Wordt hun rijkdom in de grond gestopt, dan neigt hun hart naar de diepte, wordt hij in de hemel bewaard, dan verheft hun hart zich. (...)
      We hoorden een rijke jongeman de goede Meester om raad vragen over hoe hij het eeuwige leven kon verkrijgen (Mc 10,17). Dat waar zijn liefde naar uitging, was kostbaar; dat wat hij niet los durfde te laten, was waardeloos. Hij luisterde dus met een verwrongen hart naar Hem die Hij al zijn goede Meester had genoemd, en zo kon het gebeuren dat hij het bezit van de liefde verloor: zijn passie voor het waardeloze was te groot (Mc 10,22). Maar toch vroeg hij om raad over hoe hij het eeuwige leven kon verwerven. Dat zou hij nooit hebben gedaan als hij de wil niet had gehad om het eeuwige leven te verwerven.
       Hoe komt het dus, broeders en zusters, dat hij de woorden van Hem die hij eerst nog wel zijn goede Meester had genoemd op grond van de betrouwbare leer die hem was voorgehouden, nu ineens afwees? Was de Meester soms eerst goed, voordat Hij hem antwoord gaf? En daarna slecht? Voordat de Meester antwoord gaf, werd Hij goed genoemd. Maar... de rijke jongeman kreeg niet te horen wat hij wilde horen, maar wat hij moest horen. Hij was vol verlangen gekomen, maar hij ging teleurgesteld weg. Als hij al teleurgesteld wegging omdat er werd gezegd: "Ga verstandig om met je bezit," dan kun je nagaan wat er zou zijn gebeurd als er tegen hem was gezegd: "Geef je bezit prijs."
      "Ga," zei de Heer, "verkoop alles wat je bezit, en geef het aan de armen." (Mc 10,21) Bent u soms bang dat u uw bezit kwijtraakt? Luister naar wat volgt: "Daarmee zul je een schat in de hemel hebben."(Mc 10,21) Om uw schatten voor u te bewaken had u misschien een eenvoudige dienaar aangesteld: de bewaker van uw goud zal niemand minder dan uw God zijn. Hij die het u op aarde gegeven heeft, bewaart het voor u in de hemel. Misschien zou de rijke jongeman niet hebben geaarzeld om dat wat hij bezat aan Christus toe te vertrouwen, maar raakte hij zo teleurgesteld omdat er tegen hem werd gezegd: "Geef het aan de armen." Alsof hij bij zichzelf zei: "Als U had gezegd: 'Geef het aan Mij, dan zal Ik het voor jou in de hemel bewaren,' dan zou ik niet geaarzeld hebben om het aan mijn Heer te geven, mijn goede Meester. Maar nu zegt U: 'Geef het aan de armen.'"
      Niemand mag schromen om het aan de armen te besteden, en niemand mag denken dat degene het krijgt, die hij de hand ziet ophouden. Wie het in werkelijkheid krijgt, is Hij die u maant om te geven. En dit zeg ik niet op eigen gezag of op grond van een menselijke gissing. Luister naar Hemzelf als Hij u maant en een kwitantie voor u uitschrijft. "Ik had honger," zegt Hij, en jullie hebben Mij te eten gegeven.” (Mt 25,35) En toen de recht¬vaardigen, nadat Hij al hun goede werken had opgesomd, vroegen: "Wanneer zagen wij U dan hongerig," (Mt 25,35) antwoordde Hij: "Wat jullie voor een van deze minste broeders van Mij hebben gedaan, hebben jullie voor Mij gedaan." (Mt 25,40) De arme bedelt erom, maar het is God, de Rijke, die het krijgt. U geeft het aan iemand om het op te maken, maar het is de Rijke die het krijgt om het u weer terug te geven. En u zult zien dat Hij niet alleen zal teruggeven wat hij krijgt, maar dat Hij ook rente wil uitkeren. Hij belooft u meer dan u hebt ingelegd. Kom nu maar voor de dag met uw hebzucht, doe nu maar alsof u een woekeraar bent.
      Uit: Aurelius Augustinus, Van aangezicht tot aangezicht; - Amsterdam 2004 / Budel 2011, p. 479-481.

 

29e zondag door het jaar bij Mc 10,35-45
uit Augustinus' sermo 96,3
      Wie wil er nu niet graag naar boven? Iedereen zit graag aan de top. Maar om boven te komen moeten we de weg van de nederigheid gaan. Waarom neemt u grotere stappen dan u kunt? Dan wilt u niet klimmen maar vallen. Begin met één stap tegelijk, dan komt u boven. Die weg van de nederigheid wilden de twee leerlingen overslaan, die zeiden: "Heer, laat één van ons rechts en de ander links van U zitten in uw rijk." (Mc 10,37) Ze wilden wel naar de top, maar de weg erheen zagen ze niet. De Heer liet hun de weg zien. Wat was namelijk zijn antwoord? "Kunnen jullie de beker drinken die Ik drink?" (Mc 10,38)
     Uit: Aurelius Augustinus, Als korrels tussen kaf; - Amsterdam 2002 / Budel 2007, p. 51 / 56.

 

30e zondag door het jaar bij Mc 10,46-52
uit Augustinus' sermo 88,1 en 3
     
U weet het net zo goed als ik, geliefde broeders en zusters: onze Heer en Heiland Jezus Christus is de -Dokter die over ons eeuwig heil waakt. En omdat Hij niet wil dat onze zwakheid eeuwig zal duren, heeft Hij de zwakheid van onze natuur op zich genomen. Hij heeft namelijk een sterfelijk lichaam aangenomen om daarin de dood te doden. En, "al werd Hij voor onze zwakheid gekruisigd," zoals de apostel Paulus zegt, "Hij leeft in Gods kracht." (2 Kor 13,4) Ook de volgende woorden zijn van Paulus: "Christus sterft niet meer: de dood heeft geen macht meer over Hem." (Rom 6,9) Als gelovige weet u dit natuurlijk heel goed. 
      Tegelijkertijd moeten we tot ons laten doordringen dat alle wonderen die Hij in zijn sterfelijke lichaam heeft gedaan, maar één doel hebben: ons eraan herinneren dat we van Hem iets kunnen krij-gen wat niet voorbijgaat, maar eindeloos duurt. Blinden heeft Hij de ogen geopend, hoewel de dood ze later toch weer zou sluiten (Mc 10,46-52). Lazarus heeft Hij tot leven gewekt, hoewel die later toch weer zou sterven (Joh 11,38-44). Bij alles wat Hij voor ons lichamelijk welzijn heeft gedaan, gaat het Hem er niet om dat zo'n genezing een eeuwigdurend karakter heeft, hoewel Hij natuurlijk op het einde ons lichaam ook het eeuwige heil zal schenken. Maar mensen willen nu eenmaal eerst zien en dan pas geloven (Joh 20,29). Daarom probeert Hij door die genezingen met een tijdgebonden karakter, die ze met eigen ogen kunnen zien, hun geloof op te bouwen in wat nog niet te zien is. (...) 
      De Heer heeft dat dus allemaal gedaan om mensen uit te nodigen tot geloof. En dat geloof bruist op dit moment in de kerk die over de hele wereld verspreid is. Nu verricht Hij nog grotere genezingen. En met het oog daarop was het Hem toen niet te min om die kleine genezingen te verrichten. Want zoals de geest hoger staat dan het lichaam, zo staat het heil van de geest ook hoger dan het heil van het lichaam. Tegenwoordig komt het niet meer voor dat een wonder van God ons de ogen opent in ons blinde hoofd, maar wel dat het woord van de Heer ons de ogen opent van ons blinde hart. Tegenwoordig komt het niet meer voor dat een lijk tot leven komt, maar wel dat in een levend lijk de menselijke ziel weer tot leven komt.
      Tegenwoordig komt het niet meer voor dat ons de oren aan ons dove hoofd worden geopend. En beseft u wel bij hoeveel mensen de oren van het hart dichtzitten? En toch, als het woord van God binnendringt, gaan ze open. Zo komen mensen die eerst niet geloofden, tot geloof. Zo gaan mensen die eerst slecht leefden, goed leven. En zo worden mensen die eerst niet gehoorzaamden, gehoorzaam. Dan zeggen we: "Hij is gelovig geworden!" En wanneer we dat horen zeggen over iemand van wie we altijd hadden gedacht: die verandert nooit, dan zijn we verbaasd.
      Waarom verbaast ons dat? Waarom verbaast het ons dat zo iemand gelovig is geworden, zijn schuld heeft verloren en God is gaan dienen? Toch alleen maar omdat we met eigen ogen kunnen zien dat iemand van wie we altijd hadden gedacht dat hij blind was, ziet? Dat iemand van wie we altijd hadden gedacht dat hij dood was, leeft? En dat iemand van wie we altijd hadden gedacht dat hij doof was, hoort?
     Uit: Aurelius Augustinus, Van aangezicht tot aangezicht; - Amsterdam 2004 / Budel 2011, p. 506-508.

 

1 november - Allerheiligen, Zaligsprekingen
Matteüs 5, 1-12a 

In totaal zijn er acht uitspraken. In wat volgt, richt de Heer zich tot de aanwezigen met de woorden: "Gelukkig bent u, als ze u uitschelden en vervolgen." (Mt 5,11) Zijn eerste uitspraken waren in het algemeen bedoeld. Hij zei immers niet: Gelukkig die arm van geest zijn, want aan ú behoort het koninkrijk der hemelen, maar Hij zei: “Want hún behoort het koninkrijk der hemelen.” (Mt 5,5 (4)) Hij zei evenmin: Gelukkig die zachtmoedig zijn, want ú zult het land erven. Maar Hij zei: "Want zíj zullen het land erven." (Mt 5,4 (5) En evenzo bij de overige uitspraken tot en met de achtste waar Hij zegt: "Gelukkig die worden vervolgd vanwege de gerechtigheid, want hun behoort het koninkrijk der hemelen." (Mt 5,10) Nu gaat Hij zich echter richten tot de aanwezigen. Maar de eerste uitspraken waren net zo goed bestemd voor de daar aanwezige toehoorders, als de laatste uitspraak die in het bijzonder tot de aanwezigen schijnt gericht, ook bestemd is voor afwezigen en voor toekomstige generaties. Om die reden moet het getal van de uitspraken nauwkeurig worden bekeken.
Welnu, het geluk begint bij de nederigheid. Gelukkig die arm van geest zijn ()Mt 5,3), dat wil zeggen: niet opgeblazen. Men onderwerpt zich dan aan het goddelijke gezag uit vrees voor straf na dit leven, zelfs als men misschien in dit leven gelukkig denkt te zijn.
Vervolgens komt men tot de kennis van het Woord van God in de Schriften. Men moet zich dan zachtmoedig en toegewijd betonen en men waagt het dan niet kritiek te uiten op wat onwetende mensen dwaas vinden. Evenmin zal men door hardnekkige twisten weerspannig worden. Nu begint men in te zien hoe men door allerlei praktijken in de strikken van deze wereld vastzit. Op deze derde trede, die van het inzicht, wordt het verlies van het hoogste goed betreurd, omdat men verkleefd is aan het laagste. Op de vierde trede gaat het om zware inspanningen. Men legt zich er intensief op toe zich los te rukken van verderfelijk genot waarin men verwikkeld is. Hier hongert en dorst men naar de gerechtigheid. En daar is grote dapperheid voor vereist, want men laat niet zonder pijn los wat men met plezier vasthoudt. Op de vijfde trede krijgen zij die in hun zware inspanningen volharden, verstandig beleid aangereikt om te ontsnappen. Zij zijn absoluut niet in staat zich op eigen kracht te bevrijden uit de ellende waarin ze zo vast verstrikt zitten: zij moeten door een machtiger iemand worden geholpen. Wie naar de hulp van een machtiger iemand verlangt, doet er goed aan een zwakkere te helpen op een gebied waarop hijzelf sterker is. Daarom staat er: "Gelukkig die barmhartig zijn, want zij zullen barmhartigheid ondervinden." (Mt 5,7) De zesde trede is de zuiverheid van hart: de vrucht van het goede geweten dat men goed leeft en goeddoet. Zo is men in staat tot de beschouwing van het hoogste goed, dat alleen met een reine en serene geest kan worden gezien. De zevende en laatste trede is de wijsheid zelf, dat wil zeggen: het schouwen van de waarheid. De wijsheid brengt heel de mens tot vrede en daardoor ontvangt men de gelijkenis met God. En zo wordt er afgesloten: "Gelukkig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God worden genoemd." (Mt 5,9) Met de achtste uitspraak wordt eigenlijk teruggekeerd naar het begin, omdat de Heer daarmee laat zien en aanbeveelt wat in alle opzichten het volmaakte is. Daarom is dan ook in de eerste en de achtste uitspraak het koninkrijk der hemelen genoemd: "Gelukkig die arm van geest zijn, want hun behoort het koninkrijk der hemelen," (Mt 5,3) en: "Gelukkig die worden vervolgd vanwege de gerechtigheid, want hun behoort het koninkrijk der hemelen." (Mt 5,10) Bovendien staat er geschreven: "Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking wellicht of nood, of vervolging, of honger, of naaktheid, of levensgevaar, of het zwaard?" (Rom 8,35)
Het zijn er dus zeven die tot de volmaaktheid leiden. Want de achtste maakt duidelijk en laat openlijk zien wat het volmaakte is. Zo leiden van de eerste naar de laatste trede ook de tussenliggende treden tot de volmaaktheid en begint men eigenlijk weer bij het begin.
      uit: : Aurelius Augustinus – Het huis op de rots: verhandeling over de bergrede [De sermone Domini in monte]. – p.61-62.

 


2 november - Allerzielen 
Marcus 15, 33-39; 16, 1-6 ; Lucas 24, 13-35; Lucas 24, 13-35; Johannes 11,1-45
  zie Liturgisch jaar >  Allerzielen en boek Wat kunnen wij voor de doden doen ? = Augustinus' De cura pro mortuis

 

 

32e zondag door het jaar bij Mc 12,38-44
uit Augustinus' sermo 105A,1
    
Wie wereldse verwachtingen opgeeft, heeft veel achter zich gelaten, zoals die weduwe van de twee muntjes, die ze in de offerkist deed (Mc 12,41-42). "Niemand gaf méér dan zij," zegt de Heer (Mc 12,43). Toch gaven velen veel van hun rijkdom. Maar zij gaven niet meer dan die weduwe aan God ten geschenke, dat wil zeggen: in de offerkist (Mc 12,43). Veel rijken gooiden er veel in. De Heer keek toe, maar niet omdat zij er veel ingooiden. Daar kwam de weduwe binnen met haar twee muntjes. Keurde iemand haar ook maar een blik waardig? Ja, de Heer, die geen oog heeft voor een volle hand maar voor het hart. Hij had oog voor haar en wees naar haar. En wijzend naar haar zei Hij dat niemand er zóveel had ingegooid. Want niemand had er zóveel ingegooid als de vrouw die niets voor zichzelf achterhield (Mc 12,44). 
      Als u dus weinig hebt, zult u weinig geven. Als u meer hebt, zult u meer geven. Wanneer u maar een beetje geeft van het beetje dat u hebt, krijgt u dan soms minder dan anderen? U zult toch niet minder krijgen, omdat u minder gegeven hebt? Kijk eens naar de giften: je hebt grote en kleine, kostbare en eenvoudige. Kijk nu eens naar de harten van de gevers, dan zult u soms bij die grote giften een armetierig hart aantreffen en bij die kleine een royaal hart. U let namelijk op de grootte van de giften. U let er níet op hoeveel een gulle gever voor zichzelf heeft achtergehouden, hoeveel hij uiteindelijk heeft weggegeven en hoeveel hij van anderen heeft afgenomen om daarvan iets aan de armen te geven, alsof hij God de rechter om wil kopen.
      Als u dus geeft, bereikt u dat u niet slechter wordt van uw rijk¬dom, maar niet dat u er beter van wordt. Want ook als u arm was en een beetje gaf van het beetje dat u had, dan zou uw verdienste even groot zijn als van een rijke die veel geeft of zelfs nog groter, zoals van die vrouw.
      Uit: Aurelius Augustinus, Als korrels tussen kaf; - Amsterdam 2002 / Budel 2007, p. 121-122 / 140-141.

 

33e zondag door het jaar bij Mc 13,24-32
uit Augustinus' sermo 60,6
    
De wereld vergaat! Maar als die vergaat, waarom zorgt u dan niet dat u weg bent? Als een architect u zou zeggen dat uw huis op instorten staat, dan maakt u toch dat u wegkomt in plaats van te gaan staan mopperen? De Maker van de wereld zegt u dat de wereld zal vergaan. Hij is niet iemand die je zomaar kunt tegenspreken. Luister naar zijn woord, Hij voorzegt het ons, luister naar zijn raad, Hij waarschuwt ons. Hij voorzegt het ons met de woorden: “Hemel en aarde zullen voorbijgaan.” (Mc 13,31) Hij waarschuwt ons met de woorden: “Bewaar u geen schat in de aarde.” (Mt 6,19) Als u zijn voorzegging gelooft en zijn raad niet in de wind slaat, laat dan ook gebeuren wat Hij zegt.
     Want iemand die zo’n raad geeft, wil niet dat u kwijtraakt wat u hebt, maar waarschuwt u er juist voor om het niet kwijt te raken. Waarom luisteren we niet naar Hem als Hij ons de raad geeft om weg te trekken naar de hemel? Want we zullen niet wegtrekken naar die hemel waarover gezegd wordt: "Hemel en aarde zullen voorbijgaan." Wie luistert er nu naar een raad waardoor je van de regen in de drup komt? Nee, het gaat hier om de hemel der hemelen (Dt 10,14 en 1 K 8,27), zoals je ook het heilige der heiligen (Ex 26,34 en 1 K 6,16) hebt, en de eeuwen der eeuwen (Tob 8,9). Vergaar u een schat in de hemel (Mt 6,20). De hemelen verhalen de heerlijkheid Gods (Ps 19,2). Wanneer u ooit iets aan een rechtvaardige geeft, geeft u het aan de hemel. Maar ook als u het aan een onrechtvaardige geeft - want als uw vijand honger heeft, geeft u hem te eten (Rom 12,20) - dan betekent dat niet dat u op de verkeerde weg bent. U gehoorzaamt namelijk Hem die hemel en aarde gemaakt heeft. Wegwezen dan, zonder aarzelen. Hebt u veel verzameld? Wegwezen, direct. Ik wil niet dat de vroomheid kwijtraakt wat de ijdelheid heeft verzameld. Trek weg. U hebt genoeg om de armen van Christus in overvloed te kunnen laten leven. De rampspoed van de wereld levert u heel wat sjouwers. 
      Ik heb gesproken en u hebt geluisterd. Of liever: Híj heeft gesproken en we hebben samen geluisterd. Moge Hij die ons de raad gaf om ons te beteren, ons ook de hulp geven om het te doen.

 

34e zondag door het jaar (Christus Koning) bij Joh 18,33-37
uit Ambrosius' uitleg van het Lucasevangelie 3,44

"Mijn rijk is niet van deze wereld," (Joh 18,36) Het zijn Jezus' eigen woorden. Wie zegt dat zijn rijk niet van deze wereld is, geeft te kennen dat het de wereld te boven gaat. Op die manier was zijn rijk er en was het er niet: het was niet ín de wereld, het ging wel de wereld te boven. Er was dus een rijk van andere aard, het rijk van de eigenlijke David; daarvan is Christus de enige erfgenaam. Er was een nageslacht van andere aard, het nageslacht van David dat eeuwig blijft, en daaruit is alleen Christus voortgekomen. Christus is de enige echte Zoon van David, de enige ook die met Davids naam genoemd werd volgens het Schriftwoord: "David, mijn dienaar, heb Ik uitverkoren en met heilige olie gezalfd." (Ps 89,21) Dit godswoord wordt in elk geval blijkens het voorafgaande niet over de profeet David, maar over de Heer gezegd, want daar staat: "Op een held deed Ik mijn bijstand dalen, Ik verhief uit het volk een uitverkorene." (Ps 89,20) Welnu, de enige held met macht, de enige uitverkorene is Christus. Heiligen krijgen immers krachtiger nakomelingen door geloof dan door lichamelijke voortplanting. Daarom zegt Paulus: "Zij die uit het geloof zijn, zijn kinderen van Abra¬ham." (Gal 3,7)
     Uit: Ambrosius van Milaan, Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand; Budel 2005; p. 169.

 

Top 

 

kleiner A  -  A groter
Sitemap
1 december 2015