Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
zoeken
printen

V11

Zingen als tijdloze tijd : Augustinus en het “heden”in de liturgie

Hoe actueel de media ook willen zijn, ze zijn altijd te laat. Het nieuws komt in principe niet los van het verleden, want, afgezien van de prognoses, hebben ze het steeds over zaken die al gebeurd zijn. Toch kunnen verleden en toekomst samenvallen. Volgens Augustinus is dat echter niet mogelijk zonder te luisteren naar het zingen van Gods stem, naar de stem van God die zingt.

Het bewustzijn van tijd
Meer dan twee millennia geleden vroeg Aristoteles: Hoe meten we de tijd? De Griekse filosoof koppelde het meten van de tijd aan de beweging der hemellichamen. Volgens hem werd de tijd weliswaar door de menselijke zíel gemeten, maar de maat die de ziel hanteerde, lag buiten haar. De maat van de tijd was gekoppeld aan de beweging der sterren. En beweging had ruimte nodig. De grote theolooogAugustinus boog zich ook over het probleem tijd. Maar hij situeert zowel de activiteit van het meten als de tijdmaat zelf, ín de mens. Het zijn niet de sterren die de tijd bepalen : ook wanneer de zon stil staat, loopt de tijd door, zoals het boek Jozua laat zien (Joz 10,12-13). Voor Aristoteles bleef tijd een objectieve uitgestrektheid, een uitgestrektheid buiten de mens. Maar Augustinus zal aandacht vragen voor de subjectieve ervaring van tijd. Hij is de eerste die uitdrukkelijk aandacht vraagt voor de tijd’beleving’. Hij gaat dus niet bij de hemellichamen te rade die in hun beweging duidelijk maken dat tijd voorbijgaat, maar hij gaat bij zichzelf als mens te rade. Dat de tijd voorbijgaat, is een ervaring die je juist als mens hebt. Augustinus wil zijn aandacht richten op het voorbijgaan van de toekomst in het heden, en op het heden dat ook weer voorbijgaat en verleden wordt. Wat blijft er dan nog van de tijd over? Kun je dan wel zeggen dat tijd echt bestaat? De tijd lijkt ons te ontsnappen, en toch spreken we van een lange of een korte tijd. Terwijl dezelfde ‘objectieve’ tijd voortgaat, duurt die voor de een eindeloos, en vliegt die voor de ander voorbij. De lengte van de tijd ervaren we dus niet buiten onszelf, maar in ons bewustzijn. Als we het verleden meten, doen we dat vanuit onze herinnering, en als we de toekomst meten doen we dat vanuit onze verwachting. Dat is een activiteit van het bewustzijn. Het zijn activiteiten van de menselijke geest. Om verleden en toekomst te kunnen benoemen, betrekken we onze herinneringen en verwachtingen in het heden van onze actuele aandacht. Dankzij onze aandacht kunnen we verleden en toekomst naar het heden toebrengen. Door mijn persoonlijke aandacht krijgt de tijd duur en lengte en wordt tijd tijdsbeleving.

Mensen ervaren tijd niet op dezelfde manier. Voor de mens is tijd geen massieve, objectieve grootheid. In zijn verhouding tot toekomst en verleden is het de mens zelf die aan ‘vertijdelijking’ doet. Voor mensen verstrijkt de tijd dus niet zomaar, vanzelf, automatisch. Het is door de menselijke aandacht dat in het heden ook toekomst en verleden worden vastgehouden.

God staat in de tijd
Augustinus worstelt met God, zoals Jacob met de nachtelijke onbekende (Gn. 32, 23-33). Hij wil de naam van die grote Onbekende weten. Een sterfelijke mens worstelt met de eeuwigheid. De worsteling in het duister van de nacht gaat Augustinus aan, mede om zijn eigen verscheurdheid in de tijd te begrijpen. In het elfde boek van de Belijdenissen schrijft hij over de relatie tussen mens en God, als een relatie tussen tijd en eeuwigheid. Wat stelt mensentijd nu helemaal voor in vergelijking met Gods eeuwigheid? Wat komt er eigenlijk van tijd terecht, als het moment van heden al zo kort is dat het geen enkele uitgestrektheid kent? Want omdat het verleden voorbijgegaan is, is het verleden niet meer. En omdat de toekomst nog moet komen, is de toekomst nog niet. Bovendien is het heden al verdwenen voordat je er erg in hebt, omdat het zo vluchtig is. Wat heeft tijd dan met eeuwigheid te maken? Misschien, vraagt Augustinus zich af, is de tijd hoogstens een afbeelding van de eeuwigheid.

De Heilige Schrift biedt ons al meteen vanaf het eerste vers de gelegenheid om tijd en eeuwigheid bijeen te lezen: In den beginne schiep God de hemel en de aarde (Gen 1,1). Hier is eeuwigheid èn tijd. En volgens de Schrift hebben die twee een positieve relatie. Plato ziet dat anders. Hij zal over de verhouding van tijd tot eeuwigheid niet op een positieve manier kunnen spreken. Het boek Genesis doet dat wel. Voor Plato is tijd afval van eeuwigheid. Maar Augustinus haalt het begin van Genesis aan om ons te verzekeren dat God zich boven de tijd verheft doch tevens in de tijd staat: Uw heden is eeuwigheid, en uw jaren zullen niet ophouden (Conf XI.13.16). God is tegenwoordig in de tijd. Hij onttrekt zich niet aan de tijd. Zijn Woord zegt niet: Ik heb met tijd niets te maken.

Zingen in de tijd
Echte aanwezigheid wordt waargenomen door het bewustzijn van de mens. Gij hebt mijn dagen oud gemaakt, en zij gaan voorbij en ik weet niet hoe (Conf XI. 22.28). Dat zegt de psalmist in psalm 39(38),6. Waarom ineens dat beroep op een psalm? Psalmen zijn liederen. Augustinus haalt ze aan op het moment dat hij zich afvraagt hoe het vluchtige heden toch die voortdurende tijdstroom kan bevatten; hoe het vluchtige heden in staat is het verleden en de toekomst niet verloren te laten gaan. Door de psalmen aan te halen suggereert hij dat het juist in de Schrift is, dat hij iets over het heden hoopt te vinden. Heden, als ge mijn stem verneemt, staat er in psalm 95(94),7. Met behulp van het woord van God, wordt de mens Augustinus in staat gesteld naar het heden te zoeken. Want het woord des Heren blijft in eeuwigheid (Jes 40,8).

Augustinus zoekt naar een voorbeeld om de positie van het heden te verhelderen. En hij vindt dat in het concrete feit dat de mens liederen zingt. Het lied dat door de mens wordt gezongen, geeft het best aan hoe wij ons verhouden tot toekomst, heden en verleden (Conf XI.27.34). Zo gaat Augustinus, die de goddelijke stem van het heden wil vernemen, niet achteloos voorbij aan het passerende lied van de menselijke stem. Terwijl de stem van het lied klinkt in het heden, passeren tekst en klanken, en verglijden zij tot verleden. Ze worden verleden tijd. Voordat het lied gezongen wordt, is het nog een en al toekomst. Vervolgens laat het lied zich woord voor woord in het heden horen. Maar als de gezongen klanken weggestorven zijn, behoren ze tot het verleden.

Als concreet voorbeeld haalt Augustinus de bekende hymne van Ambrosius aan: Deus creator omnium ‘God die het al geschapen heeft’. Het is een lied dat Augustinus van buiten kent; meer nog, het is zijn eigen roep tot God geworden. Wanneer hij deze woorden zingt, wil hij weten hoe het met de tijd is. Maar nog vuriger dan de tijd te kennen verlangt hij ernaar de eeuwige God te kennen. Want God is zowel het onderwerp van het lied alsook de Schepper van de tijd. Hoe ga je in je bewustzijn om met het lied dat je van buiten kent? Er zijn drie vormen van activiteit: de mens verwacht, hij slaat aandachtig gade, en hij herinnert zich (Conf XI., 29.37). Het menselijk bewustzijn verhoudt zich tot het hem bekende lied door zijn verwachting, door zijn aandacht en door zijn herinnering. In zijn bewustzijn zijn die drie één. Verwachten, aandacht hebben en zich herinneren zijn drie vormen van activiteit die zich in de menselijke geest verenigen. Om het anders te zeggen. In mijn bewustzijn bestaat er een lied dat ik ken en dat ik wil zingen. Voordat ik het ga zingen, zijn tekst en melodie in mijn verwachting. Als ik in feite aan het zingen ben, verschuift de relatie tussen verwachting en uitvoering: de verwachting wordt steeds kleiner en gaat langzamerhand helemaal over in de uitvoering. Dat gaat zo maar door totdat de hele tekst en melodie mijn stem zijn gepasseerd en voorbij zijn gegaan, en alles verleden is geworden.

Het zingen van een lied is daarom wel heel gelukkig gekozen om uit te leggen hoe de mens in de tijd staat. Het verduidelijkt twee vormen van leven: zowel het mensenleven van ieder persoonlijk als het leven der geslachten door de tijden heen. Juist zoals het zingen van het lied, zo zijn in het leven van de mens zijn daden. En zoals het zingen van het lied, zo zijn, door de generaties heen, de levens der mensenkinderen (Conf XI.29.38). Ja, bovendien, zoals het zingen van het lied, zo klinkt de stem van Gods barmhartigheid in de tijd. Want uw barmhartigheid is beter dan levens, psalm 63(62),4.


Het heden van de liturgie
Door de uitbundige Hodie-antifoon van het Magnificat van Kerstmis worden we meegenomen naar de plaats van de openbaring van Gods Zoon. In het Haec dies worden we opgenomen in de opgaande beweging van Pasen, de dag die de Heer heeft gemaakt. Zo beleven gelovige mensen het heden minstens in het zingen van de liturgie.
Met de menselijke stem die zingt, is er iets bijzonders aan de hand, zelfs wanneer zij klinkt in de stilte van het hart. Want dankzij ons geheugen kunnen wij klanken opnieuw naar voren roepen en ervan genieten (Conf X.8.13). En dankzij het muzikale geheugen is er een inwendige stem te horen voor een inwendig oor. Zo kun je jezelf in stilte horen zingen, zonder dat er geluid aan te pas komt. Het oor is het zintuig van de tijd. Met het oor nemen we de tijd waar. Datgene wat we met de ógen waarnemen is verdeeld door de rúimte dat het inneemt. Maar datgene wat we met de óren waarnemen is verdeeld door de tíjd dat het inneemt (De quantitate animae 32.68). Het is in de stem dat de ziel zich uitstrekt. Zingen is datgene doen, wat we het meest innerlijk zíjn. Zingen verheft zich vanuit het hart, langs het innerlijk van borst en keel om eenmaal boven losgelaten, in de open ruimte voluit te klinken.
Al vanaf het eerste moment van het zingen verspreidt zich de vreugde of de droefheid van het lied. Die aandoening legt zichzelf met een eigen klaarheid op aan de zanger die tegelijk zanger en hoorder is. In het lied schijnt de zingende stem zichzelf te vergeten. Zij schijnt zichzelf als het ware te verliezen. Want in haar transparante manifestatie laat zij geen enkel blijvend spoor achter. Terwijl haar manifestatie helemaal geestelijk is, blijft zij gebaseerd op het concreet-zintuigelijke. Zij doet niets anders dan passeren, zoals de dans niets anders doet dan passen maken. Er is met de mens die zingt, nog iets merkwaardigs aan de hand. Bij het zingen van een lied is de verwachting gebaseerd op de herinnering (De Trinitate XV.7.13). Je kent het lied van buiten, en op grond daarvan ontrolt het zich volgens jouw verwachting: in het lied is verwachting tevens herinnering. Bij Augustinus is het lied niet zonder opzet gekozen als illustratie om het voorbijgaan van de tijd uit te leggen. Hij haalt het zingen aan, omdat het lied, juist als het wordt gezongen, de plaats is waar het wezen van de tijd zich verduidelijkt. Het zingen van het lied is het moment waarop onze aandacht overgaat in verwachting, op grond van herinnering. Op de plaats waar herinnering in verwachting overgaat, wordt Gods stem gehoord, en dan is het heden: Heden, als ge mijn stem verneemt.

Tekst: Martijn Schrama OSA

 

kleiner A  -  A groter
Sitemap
1 december 2015