Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
zoeken
printen

V18

Herder of huurling ? Over goed leiderschap

Iedereen heeft er wel eens een meegemaakt, een leider die geen leider is: iemand die degenen die aan zijn zorg zijn toevertrouwd, slechts in gunstige omstandigheden leidt, maar voor zijn verantwoordelijkheid vlucht wanneer het tij tegenzit.

Jezus maakt zijn visie op goed leiderschap aan de hand van een beeld kenbaar in Joh 10,1-21, de passage waarin Hij spreekt over de kenmerken waaraan een herder moet voldoen. “De schapen luisteren naar de stem van de herder, hij roept zijn schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten” (Joh 10,2-3). Wat doet de herder dan? “Wanneer hij al zijn schapen naar buiten heeft gebracht, loopt hij voor ze uit en de schapen volgen hem omdat ze zijn stem kennen” (Joh 10,4). De herder is vertrouwd met zijn schapen: hij kent ze en zij kennen hem, hij gaat ze voor en zij volgen. Zo behoort het te gaan, maar in feite gaat het niet altijd zo. Wanneer er ongunstige omstandigheden dreigen, komt aan het licht wie een goede herder is en wie niet. “Een goede herder geeft zijn leven voor de schapen,” zegt Jezus (Joh 10,11). “Een huurling, iemand die geen herder is, en die niet de eigenaar van de schapen is, laat de schapen in de steek en slaat op de vlucht zodra hij een wolf ziet aankomen. De wolf valt de kudde aan en jaagt de schapen uiteen. De man is een huurling en de schapen kunnen hem niets schelen” (Joh 10,12-13). In deze passage noemt Jezus zichzelf de goede Herder.

Een goede herder gaat zijn schapen dus voor in gunstige en ongunstige omstandigheden. Hij zorgt ervoor dat hij altijd bij ze is en ze nooit alleen laat. Dit laatste is wat de slechte herder doet. Zodra hij een wolf ziet, denkt hij alleen aan zijn eigen hachje en gaat hij ervandoor. Evenredig met de toename van het gevaar neemt zijn betrokkenheid af. Zo iemand is geen herder, maar een huurling.

Augustinus bespreekt de huurling in een preek, waarvan slechts een fragment is overgeleverd, preek 77C. De huurling is in deze preek een zielenherder die verzuimt om mensen die aan de kerk een schenking doen, op verder slecht gedrag aan te spreken. Dit zou hij, onafhankelijk van de schenking, dat wil zeggen: van het eigen belang, wel moeten doen. “Natuurlijk is de kans dat een terechtwijzing verkeerd valt bij hen die wel iets geven, maar slecht leven,” zegt Augustinus, en hij vermeldt er ook bij wat de gevolgen zijn: “Ze zullen dan waarschijnlijk niet meer zoveel geven als anders.” Wat voegt de predikant de huurling, die geen herder is, toe: “Je ziet de wolf, de duivel, hen besluipen om hun nek te breken.” Maar wat doe je? “Je steekt je kop in het zand, je durft hun geen nuttige terechtwijzing te geven, bang als je bent.” De huurling laat de schapen in de steek en slaat op de vlucht. “Als je een echte herder was, en je was echt bezorgd voor je schapen, zou je hen niet laten lopen.” Wat betekent dit? “Je mag dus niet denken of zeggen dat je een zorgzame herder bent, omdat je geen kwaad met kwaad vergeldt, wanneer het eerder lijkt dat je goed met kwaad vergeldt. Want hoewel die mensen misdadige zondaars zijn, geven zij uit hun eigen bezit aan de kerk. Maar jij vergeldt goed met kwaad, want je onthoudt hun je terechtwijzing.”

Hoe vervelend ook, we hebben deze huurlingen te accepteren, altijd en overal, in kerk en maatschappij. En dat is in normale, niet-bedreigende omstandigheden ook niet erg: er zijn nu eenmaal niet genoeg herders. “Ze werken waar mogelijk, ze zijn nuttig voorzover mogelijk,” zegt Augustinus in preek 137,11. Wanneer het er werkelijk om gaat, valt de huurling door de mand en moet er een herder komen, maar voor het gewone werk volstaan huurlingen: “Herder en huurling verkondigen” namelijk “allebei Christus.” Wel moeten de schapen op hun streken bedacht zijn: “De herder verkondigt zonder bijbedoelingen, de huurling niet: hij is uit op iets anders.”

Dan komt Augustinus met heldere criteria, ontleend aan de Schrift: “Wat wordt er over de huurlingen gezegd? Ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen. Maar wat zegt Paulus over de herder? Als iemand zich van dat soort zaken heeft gereinigd, wordt hij een bijzonder en heilig voorwerp, dat zijn eigenaar vele diensten kan bewijzen en geschikt is voor elk goed doel. Hij zegt niet: geschikt voor het ene doel en ongeschikt voor het andere, nee, steeds geschikt voor elk goed doel” (preek 137,12). Kan het duidelijker?

In deze teksten wordt het verschil in waardering tussen de huurling en de herder, dat wil zeggen: tussen de slechte en de goede leider, duidelijk gemaakt. Moge dit voor veel mensen stof tot nadenken zijn.

 

Tekst: Joost van Neer
Literatuur:
Van aangezicht tot aangezicht [Sermones de scripturis 51-94] / Augustinus; vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Joost van Neer, Martijn Schrama O.S.A. en Anke Tigchelaar. - Amsterdam: Ambo, 2004. - 676 p. - ISBN 90 263 1890 1. - (met name p. 413-414)

De weg komt naar u toe : Preken over teksten uit het Johannesevangelie [Sermones de scripturis 117-147A + 368] / Augustinus ; vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Joke Gehlen – Springorum, Vincent Hunink, Hans van Reisen en Annemarie Six – Wienen. – Budel: Damon, 2007. – ISBN : 978-90-5573-767-3. (met name p. 254-257).

 

kleiner A  -  A groter
Sitemap
1 december 2015