Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
zoeken
printen

V15

Geloofsgemeenschap geworteld in Abraham

 

Op zaterdag 17 november 2007 organiseerde het Augustijns Instituut een ontmoetingsdag over de betekenis van Abraham in jodendom, christendom en islam. Daarbij kwam Augustinus' uitleg van Abraham als aartsvader van geloven uitdrukkelijk ter sprake.

Om het klimaat tussen joden, christenen en islamieten te verbeteren wordt er in de laatste jaren meer nadruk gelegd op de gemeenschappelijke oorsprong ervan: men spreekt in dat verband over de drie abrahamitische godsdiensten, omdat de aartsvader Abraham (met zijn vrouw Sara) aan het begin staat in het driestromenland van de monotheïstische godsdiensten.
Augustinus leefde in een mengelmoes van joodse en christelijke tradities. In de bedding daarvan ontstond ruim een eeuw later de islam. Die komt in Noord-Afrika tot grote bloei. Aan de rol van Abraham in de islam besteedt Augustinus vanzelfsprekend geen aandacht; aan diens rol binnen het jodendom overigens ook heel weinig. Maar hij staat wel in de gemeenschappelijke traditie van joden, christenen en islamieten, waarin de verhalen over Abraham op de eigen geloofscultuur worden betrokken en als vervulde beloften worden uitgelegd. En hij doet dat als bisschop van Hippo Regius, die - net zoals joodse leiders vóór hem en islamitische leiders na hem - het te stellen heeft met onderling sterk verdeelde gelovigen. In dat verband kent Augustinus aan Abraham een markante rol toe: hij staat aan de wortel van het grote volk van God. En aan dat volk van God hecht Augustinus opvallend veel waarde in zaken van geloofsleer en -praktijk.
In sermo 51 spreekt Augustinus de mensen als volgt toe: "Doet de grote massa wat ik wil omdat ik ze naar de mond praat? De grote massa is ooit een klein groepje geweest. (...) Eigenlijk zou ik niet moeten zeggen: Er was een klein groepje. In feite was het alleen Abraham. Stelt u zich eens voor, broeders en zusters, in de hele wereld, ja, in de hele wijde wereld was er in die tijd onder alle mensen, onder alle volkeren maar één man, tegen wie gezegd werd: "In uw zaad zullen alle geslachten gezegend worden." (Gn 22,19) Abraham! Wat die ene man in zijn eentje geloofde, werd voor velen van zijn vele nakomelingen zichtbaar. Indertijd was de grote massa niet te zien, maar werd er wel in geloofd. Nu is ze wel te zien, maar nu wordt ze bestreden. En wat toen tegen Abraham alleen werd gezegd en door Abraham alleen werd geloofd, wordt nu, nu het in de grote massa zichtbaar is geworden, door een klein groepje bestreden. Christus, die zijn leerlingen tot vissers van mensen heeft gemaakt, sloot namelijk alle rangen en standen in zijn netten in (Mt 4,19 en Mc 1,17). Als het zo is dat de grote massa ons tot geloof moet brengen, bestaat er dan een grotere massa dan de kerk die over de hele wereld verspreid is? Als de rijken ons tot geloof moeten brengen, let dan eens op hoeveel rijken de Heer al in zijn netten heeft gevangen. Als de armen ons tot geloof moeten brengen, let dan eens op de duizenden armen. De adel dan? Als de adel ons tot geloof moet brengen ... bijna de hele adel zit er al in. De heersers? Als die ons tot geloof moeten brengen, dan zien we dat ze allemaal aan Christus onderworpen zijn. En als de welbespraakte, geleerde en wijze mensen ons tot geloof moeten brengen, kijk dan maar eens hoeveel redenaars, geleerden en wijsgeren van deze wereld de vissers al in hun netten hebben gevangen en vanuit de diepte naar de veiligheid hebben opgehaald. Daarbij hoeven ze maar aan Hem te denken die door op aarde neer te dalen de hoogmoed kwam genezen - bij uitstek het kwaad van de menselijke ziel - door het voorbeeld van zijn nederigheid. Want wat voor de wereld zwak is, is door God uitgekozen om wat sterk is, te beschamen. Wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen - niet degenen die wijs waren, maar die wijs leken. Wat voor de wereld van geringe afkomst is en onbeduidend, heeft God uitgekozen. Wat niets betekent, koos Hij uit om wat wel iets betekent teniet te doen (1 Kor 1,27-28)."
Er vallen voorlopig twee dingen op in de lijn van Abraham naar een gezagvolle geloofsgemeenschap zoals Augustinus die in deze preek verwoordt. Ten eerste gaat het naast de macht van het aantal hier vooral om de diversiteit van de geloofsgemeenschap waardoor er geloofsgezag aan mag worden toegekend. Daarin verwijst Augustinus het meest naar allerlei groepen uit de bovenlaag van de samenleving, maar de armen ontbreken niet. Ten tweede benadrukt Augustinus hier het belang van de nederige God die mensen van hoogmoed komt genezen.

Tekst : Hans van Reisen
Literatuur :
Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs [Sermones de scripturis 51-94] / Aurelius Augustinus; vertaald en van aantekeningen voorzien door Joost van Neer, Martijn Schrama en Anke Tigchelaar; ingeleid door Joost van Neer. - Amsterdam: Ambo-Anthos, november 2004. - 676 p. - ISBN: 90-263-1890-1. Sermo 51,4 p. 48

 

kleiner A  -  A groter
Sitemap
1 december 2015