Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
zoeken
printen

V12

Sermo 141  : De weg komt naar u toe

Verlangen naar waarheid
[1] Toen het heilig evangelie werd voorgelezen hebt u de Heer Jezus onder meer horen zeggen: "Ik ben de weg, de waarheid en het leven." Ieder mens verlangt naar de waarheid en het leven, maar niet ieder mens vindt de weg. Dat God een soort eeuwig, onveranderlijk leven is, dat je Hem kunt begrijpen en dat Hij ons begrijpt, dat Hij wijs is en wijsheid schenkt: dat alles hebben ook sommige filosofen van deze wereld gezien. Een vaste, onwrikbare, onveranderlijke waarheid, waarin alle beginselen van al het geschapene liggen opgeslagen: dat hebben ze gezien, maar vanuit de verte. Dat hebben ze gezien, maar ze zaten toch verkeerd. Daarom hebben ze de weg naar dat geweldige, onuitsprekelijke, gelukzalige bezit niet gevonden.
    Ook zij hebben immers, voorzover mensen dat kunnen, de Schepper gezien door zijn schepping, de maker door zijn maaksel, de bouwer van de wereld door de wereld. Daarvan getuigt de apostel Paulus, die wij christenen natuurlijk moeten geloven. Hij zegt in dit verband: "De toorn van God openbaart zich vanuit de hemel over de goddeloosheid." Dat zijn woorden van de apostel Paulus, u herkent ze. "De toorn van God openbaart zich vanuit de hemel over de goddeloosheid en ongerechtigheid van allen die de waarheid met hun onrechtvaardigheid geweld aandoen." Zei hij soms dat ze de waarheid géén geweld aandeden? Nee, zij deden de waarheid geweld aan met hun onrechtvaardigheid. Het is goed dat ze de waarheid kennen. Maar fout is de manier waarop. Ze doen de waarheid geweld aan met hun onrechtvaardigheid.

Geweld aan de waarheid?
[2] Misschien heeft iemand wel aan Paulus gevraagd: "Hoe kunnen die goddelozen de waarheid nu geweld aandoen? Heeft God soms tot een van hen gesproken? Hebben ze soms de wet gekregen, zoals het volk van Israël die kreeg via Mozes? Hoezo doen ze dan de waarheid geweld aan, en nog wel met hun onrechtvaardigheid?" Luister naar het vervolg, Paulus legt het uit: "Wat een mens van God kan weten," zegt hij, "is hun bekend; God heeft het hun geopenbaard." Hè, geopenbaard aan mensen die de wet niet hebben gekregen? Ja, luister maar hoe: "Zijn onzichtbaar wezen is te begrijpen en te zien door wat Hij heeft gemaakt."
Vraag het de wereld, de fraai versierde hemel, de stralend geordende sterren, de zon die zorgt voor de dag, de maan die troost in de nacht. Vraag het de aarde, zo rijk aan gewassen en bomen, vol met dieren en fraai met van alles getooid. Vraag de zee van wat voor rijkdom aan vissen ze is vervuld. Vraag de lucht, hoe vol ze is met alles wat vliegt. Vraag het aan alles wat bestaat, en u zult zien dat alles op zijn eigen manier antwoord lijkt te geven: "God heeft ons gemaakt." Ook vooraanstaande filosofen zochten naar een antwoord, en zij herkenden de Schepper aan zijn schepping.
    Hoe nu verder? Waarom openbaart de toorn van God zich over de goddeloosheid? Omdat zij de waarheid met hun onrechtvaardigheid geweld aandoen? Laat Paulus ons komen uitleggen hoe dat zit. Hoe zij God kennen heeft hij al gezegd: "Zijn onzichtbaar wezen - hij bedoelt God - is te begrijpen en te zien door wat Hij heeft gemaakt, zijn eeuwige macht namelijk en zijn godheid. Daarom zijn die filosofen niet te verontschuldigen. Want hoewel zij God kenden, hebben zij God niet de Hem toekomende eer en dank gebracht. Al hun denken is op niets uitgelopen en hun geest, die het inzicht verwierp, is verduisterd." Het zijn woorden van de apostel, niet van mij: "Hun geest, die het inzicht verwierp, is verduisterd. Zij beweerden wijzen te zijn, maar werden dwazen." Wat zij door hun weetgierigheid hadden gevonden, verloren zij door hun hoogmoed. Zij beweerden wijzen te zijn, dat betekent: ze eigenden zich het geschenk toe van God, en ze werden dwazen. Het zijn woorden, zei ik, van de apostel: zij beweerden wijzen te zijn en werden dwazen.


In debat met filosofen
[3] Laat het ons zien, Paulus, toon hun dwaasheid aan. Laat het ons zien. U hebt ons laten zien hoe zij God konden kennen: "Zijn onzichtbaar wezen is te begrijpen en te zien door wat Hij heeft gemaakt." Laat ons dan nu zien hoe zij beweerden wijzen te zijn maar dwazen werden. Luister, hier komt het: "De majesteit van de onvergankelijke God hebben zij verruild voor de afbeelding van de gestalte van een vergankelijk mens, en van vogels en viervoeters en kruipend gedierte." Inderdaad, de heidenen hebben de gestalten van die dieren tot hun goden gemaakt.
    Je hebt God gevonden, filosoof, en je vereert een afgod. Je hebt de waarheid gevonden en je doet die waarheid geweld aan met je onrechtvaardigheid. En wat je hebt ontdekt door de werken van God, verlies je door de werken van de mens. Alles heb je bekeken, je hebt de ordening ontdekt van de hemel, de aarde, de zee en alle elementen. Maar één ding wil je niet zien: dat de wereld het werk is van God en een afgodsbeeld het werk van een beeldhouwer. Als die man dat beeld een hart gaf, zoals hij het een gestalte gaf, zou hij door zijn eigen beeld worden aanbeden. Zoals God de maker is van de mens, zo is de mens de maker van het afgodsbeeld. Wie is de God van de mens? Hij die hem heeft gemaakt. Wie is de God van de beeldhouwer? Hij die hem gemaakt heeft. Wie is de God van het afgodsbeeld? Hij die dat beeld heeft gemaakt. Als dat beeld dus een hart had, zou het zeker de man aanbidden die het heeft gemaakt.
    Nu ziet u hoe die filosofen de waarheid met hun onrechtvaardigheid geweld hebben aangedaan. Ze zagen de waarheid, maar de weg ernaartoe hebben ze niet gevonden.

Sta op en lopen!
[4] Christus is bij de Vader, Hij is de waarheid en het leven. Hij is het Woord waarover is gezegd: "Het leven was het licht van de mensen." Hij is bij de Vader, Hij is de waarheid en het leven. En omdat wij geen weg hadden om tot de waarheid te komen, is de Zoon van God - altijd bij de Vader, altijd waarheid en leven - zelf de weg geworden, door de mensengedaante aan te nemen. Loop mee met die mens en u komt bij God. Ga met Hem mee en u komt bij Hem uit. Zoek geen andere weg om Hem te bereiken dan Hemzelf. Want als Hij had geweigerd de weg te zijn zouden we altijd dwalen.
   Hij is dus de weg geworden waarlangs u moet gaan. Ik zeg u niet: "Zoek de weg." De weg is naar u toe gekomen: sta op en ga lopen. Loop op je karakter, niet op je voeten. Veel mensen lopen namelijk goed op hun voeten, maar slecht op hun karakter. Soms kunnen ze wel goed lopen maar rennen ze naast de weg. Natuurlijk kent u ook mensen die goed leven maar geen christen zijn. Ze kunnen goed rennen, maar niet over de weg. Hoe harder ze rennen, hoe meer ze verdwalen: ze raken steeds verder van de weg af. Maar als zulke mensen dan de weg bereiken en hem blijven volgen, wat is dat dan een veilig gevoel! Ze lopen goed en verdwalen niet. Maar als ze hem niet blijven volgen, al lopen ze nog zo goed... ach, wat een ellende! Het is beter over de weg te strompelen dan naast de weg te marcheren!
Laat dit genoeg voor u zijn, lieve mensen.


Literatuur: p. 285-288 in : De weg komt naar u toe : Preken over teksten uit het Johannesevangelie [Sermones de scripturis 117-147A + 368] / Augustinus ; vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Joke Gehlen – Springorum, Vincent Hunink, Hans van Reisen en Annemarie Six – Wienen. – Budel: Damon, 2007. – ISBN : 978-90-5573-767-3. – 384 p. - € 34,90 gebonden uitgave

 

kleiner A  -  A groter
Sitemap
1 december 2015