Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
zoeken
printen

V07

Oktober wijnmaand

De veelkleurige geloofsgemeenschap wordt in de bijbel regelmatig als een wijngaard getypeerd. Bekend is het lied van de wijngaard (Jesaja 5), de wijngaard als beeld van het koninkrijk van God (Matteüs 20 en 21) en de wijngaard als de plaats waarin de liefdevolle relaties van gelovigen met Jezus en met zijn Vader worden verwoord (Johannes 15). Het zal niet toevallig zijn dat de wijngaard nogal eens opduikt in de liturgische leesroosters van de maanden september en oktober, wanneer rondom de Middellandse Zee de druivenoogst door duizenden arbeiders wordt binnengehaald voor de wijnpersen.
Wijngaarden omringden ook de havenplaats Hippo Regius toen Augustinus er bisschop was. Het hoeft dus niet te verbazen dat hij als predikant aspecten van de wijnbouw gebruikt om er geloofsgeheimen mee toe te lichten.

Enkele voorbeelden die voor zichzelf spreken. Allereerst het veranderingsproces van regenwater tot wijn: “Het wonder van onze Heer Jezus Christus waarbij Hij wijn uit water maakte, hoeft geen verwondering te wekken bij degene die weet dat God dit heeft gedaan. Hij die op de bruiloftsdag wijn maakte in de zes vaten die Hij met water liet vullen, is immers dezelfde die dat elk jaar in de wijnstokken bewerkt: wat de dienaars in de vaten goten veranderde door toedoen van de Heer in wijn en precies zo verandert wat de wolken uitgieten door toedoen van dezelfde Heer in wijn. Maar over dat laatste verwonderen wij ons niet omdat het ieder jaar gebeurt. Door de voortdurende herhaling is onze bewondering ervoor verdwenen. Maar eigenlijk verdient het een grotere waardering dat wat er met de watervaten is gebeurd.
Wie kan immers de werken van God aanschouwen waardoor heel onze wereld wordt geleid en bestuurd, zonder versteld te staan en overweldigd te worden door de wonderen? Als je op je laat inwerken welke kracht één enkele korrel heeft van elk willekeurig gewas, dan is dat iets geweldigs! Het vervult je met huiver bij het aanschouwen ervan. Maar de mensen hebben zich op andere dingen gericht en zijn hun aandacht voor Gods werken verloren, terwijl ze juist daardoor iedere dag weer de Schepper zouden moeten prijzen. Daarom heeft god zich als het ware het recht voorbehouden een aantal ongebruikelijk dingen te doen om zo de mensen die als het ware in slaap gesukkeld waren, door bijzondere dingen wakker te schudden en ertoe aan te zetten Hem te eren.
Als een dode is opgestaan, staan de mensen versteld. Maar iedere dag worden er zoveel kinderen geboren en dat vindt niemand bijzonder. Zouden wij de zaken met meer verstand bezien, dan blijkt het een groter wonder dat wie niet bestond een bestaan krijgt, dan dat wie al bestond tot leven komt.” (1)

Dan over de wijdlopigheid van de wijnranken vanuit de gemeenschappelijke stam: “Een wijnrank kan best een zichtbare verschijningsvorm hebben, ook los van de wijnstok. Het onzichtbare leven van die wijnrank kan alleen maar in de wijnstok wortelen. Daarom kunnen degenen die zich van de eenheid van het lichaam van Christus hebben afgescheiden door de uiterlijke tekenen die ze dragen of vieren, ook best de indruk wekken dat ze gelovig zijn. Maar de onzichtbare en geestelijke kracht van het geloof bezitten kunnen ze niet. Geamputeerde lichaamsdelen hebben toch ook geen gevoel meer?” (2)

Tenslotte over de heilzame werking van wijn voor het lichamelijk welzijn: “Stel dat u onder doktersbehandeling staat omdat u ziek bent. Ineens krijgt u toch zo’n zin om aan de dokter te vragen of u een glaasje wijn mag drinken. Het is niet verboden om hem zoiets te vragen. Misschien kan zo’n glas wijn wel geen kwaad, is het zelfs goed voor u om er een te drinken. Twijfel dan niet, vraag er maar om. Vraag erom en aarzel niet!” (3)


Tekst: Hans van Reisen
Noten en gebruikte literatuur
• (1) Io.eu.tr. 8,1 - in de vertaling van Hans Tevel / Hans van Reisen)
• (2) Sermo 71,32 - in : Van aangezicht tot aangezicht: Preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs [sermones de scripturis 51-94] / Aurelius Augustinus; vertaald en van aantekeningen voorzien door Joost van Neer, Martijn Schrama en Anke Tigchelaar; ingeleid door Joost van Neer. - Amsterdam: Ambo-Anthos, november 2004. - 676 p. - ISBN: 90-263-1890-1.
• (3) Sermo 80,2 - in :Van aangezicht tot aangezicht

 

kleiner A  -  A groter
Sitemap
1 december 2015