Home
Augustijns Instituut Augustinus' Leven Augustinus' Werken Contact
zoeken
printen

V03

De 1650ste geboortedag Augustinus op 13 november 2004



De feestelijke studiedag van 13 november 2004 herdacht de 1650ste geboortedag van Augustinus. Thema was Matteüs 25: de terugkeer van de Mensenzoon.
Hieronder volgt een fragment uit het gepresenteerde boek Van aangezicht tot aangezicht en een fragment uit de lezing van Martijn Schrama o.s.a.

 

Uitgeven en ontvangen
Niemand mag schromen om zijn bezit aan de armen te besteden, en niemand mag denken dat diégene het krijgt, die hij de hand ziet ophouden. Wie het in werkelijkheid krijgt, is Hij die u maant om te geven. En dit zeg ik niet op eigen gezag of op grond van een menselijke vergissing. Luister naar Hemzelf als Hij u maant en een kwitantie voor u uitschrijft. "Ik had honger," zegt Hij, "en jullie hebben Mij te eten gegeven." En toen de rechtvaardigen, nadat Hij al hun goede werken had opgesomd, vroegen: "Wanneer zagen wij U dan hongerig?" antwoordde Hij: "Wat jullie voor een van deze minste broeders van Mij hebben gedaan, hebben jullie voor Mij gedaan."

De arme bedelt erom, maar het is God, de Rijke, die het krijgt. U geeft het aan iemand om het op te maken, maar het is de Rijke die het krijgt om het u weer terug te geven. En u zult zien dat Hij niet alleen zal teruggeven wat Hij krijgt, maar dat Hij ook rente wil uitkeren. Hij belooft u meer dan u hebt ingelegd... U hebt dus iemand aan wie u uw geld kunt besteden: geef het aan Christus. Hij komt uit eigen beweging met u tot zaken om ervoor te zorgen dat u het uwe krijgt, ook als u zich verwonderd afvraagt: "Heeft Hij dan iets van mij gekregen?" ...

En dan maakt Hij duidelijk hoe Hij het gekregen heeft: "Wat jullie voor één van de minste broeders van Mij hebben gedaan, dat hebben jullie voor Mij gedaan. Ik heb het niet zelf ontvangen, Ik heb het door mijn broeders ontvangen. Wat aan hen werd gegeven, is uiteindelijk bij Mij terechtgekomen." Wees gerust, u bent het niet kwijt. Op aarde, daar zagen jullie mensen rondlopen die niet zo goed met geld kunnen omgaan, maar in de hemel is er één die dat wel kan. "Ik ben degene die het heeft ontvangen," zegt Hij, "en ik ben ook degene die het zal terugbetalen."

En wat heb Ik ontvangen? Wat moet Ik terugbetalen? "Ik had honger, en jullie hebben Mij te eten gegeven," enzovoorts. Ik heb aarde ontvangen, Ik zal hemel geven. Ik heb tijdelijke dingen ontvangen, Ik zal er eeuwige dingen voor teruggeven. Ik heb brood ontvangen, Ik zal leven geven." Of liever nog: "Ik heb brood ontvangen, Ik zal brood geven. Ik heb te drinken ontvangen, Ik zal te drinken geven. Ik ben gastvrij ontvangen, Ik zal onderdak geven. Toen Ik ziek was, hebt u Mij bezocht, Ik zal gezondheid geven. Toen Ik in de gevangenis zat, hebt u Mij bezocht, Ik zal vrijheid geven. Het brood dat u aan mijn armen hebt gegeven, is op. Het brood dat Ik u zal geven, verkwikt en raakt nooit op." Moge Hij ons dus brood geven, Hij die het Brood is, dat uit de hemel is neergedaald. Wanneer Hij brood geeft, geeft Hij zichzelf.

Vertaling : Fragment uit preek 86,3-5. p. 480-482, in : Van aangezicht tot aangezicht: Preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs [sermones de scripturis 51-94] / Aurelius Augustinus; vertaald en van aantekeningen voorzien door Joost van Neer, Martijn Schrama en Anke Tigchelaar; ingeleid door Joost van Neer. - Amsterdam: Ambo-Anthos, november 2004. - ISBN: 90-263-1890-1. - p. 480-482.
( Het citaat waarmee de boekpresentatie afsloot, "Hoewel de last niet zo zwaar is, weegt hij toch wel iets..." , is een citaat uit preek 68, p. 286.).

Het vertaaltrio: v.l.n.r.: Martijn Schrama, Anke Tigchelaar, Joost van Neer

Wanneer hebben wij u dan hongerig gezien? Matteüs 25 en Augustinus

fragment uit de lezing van Martijn Schrama o.s.a:

De Bijbel, de Heilige Schrift gaat helemaal over de liefde, althans dat vindt Augustinus. De Schrift zegt wie God is, en hoe mensen Hem dienen te zoeken. Ook verhaalt zij over mensen die God zoeken te dienen. Het 25ste hoofdstuk van Matteüs laat voor Augustinus zien hoe de liefde tot God en de liefde tot de naaste samenvallen. Nergens wordt het samengaan van de liefde tot God en de naaste zo onlosmakelijk bevestigd als in het 25ste hoofdstuk van het Mt-evangelie. Voor de kerkvader van de liefde blijkt het een sleuteltekst te zijn. In zijn werken haalt hij deze passage ruim 270 keer aan. Een vergelijkbare predikant en kerkvader, Johannes Chrysostomus, citeert haar slechts iets meer dan 90 keer. Vooral in de jaren 410-413 doet Augustinus er een beroep op. Heeft dat te maken met de vele vluchtelingen die hij dan tegenkomt? In 410 werd de stad Rome ingenomen, en dat bezorgde Noord-Afrika een groot aantal vluchtelingen uit Italië.

Augustinus’ veelvuldig beroep op Mt 25 heeft overigens ook raakpunten met het thema ‘God zien’, een thema dat hem steeds bleef boeien. Want Augustinus blijft niet steken in aandacht voor tijdelijke nood, hoezeer hij zich ook inspant die nood te lenigen. Maar via de nood toont hij verdere perspectieven en geeft hij uitzicht op het oordeel en op het eeuwig leven, dus uitzicht op een tijd waarin die nood definitief voorbij is. Het verlangen om God te zien: dat bepaalt wat hij onderweg doet; dat leidt hem op zijn weg.

De identificatie van Christus met de minsten der zijnen is, volgens Augustinus, een beweging van goddelijke liefde. God heeft zich krachtens zijn liefde in het bestaan van de mensheid geïncarneerd, en krachtens diezelfde liefde wil Hij zich met het bestaan van de mens identificeren. Dat God zich in de Middelaar Jesus Christus met de mensen zelfs identificeert, is de uiterste consequentie van een God die in zijn liefde mens wil worden met de mensen: God heeft, door mens te worden, het persoon-zijn van de mens aangenomen. En na Christus’ verheerlijking zullen allen, die in Hem geloven, getransformeerd worden tot de persoon van Christus.
Wat het christenvolk ook aan positiefs onderneemt en aan negatiefs te lijden heeft, onderneemt en ondergaat Christus zelf. Hij wordt daartoe gebracht door de liefdevolle kracht die Hem de gestalte van een knecht doet aannemen, Hem die de gestalte van God had (Fil 2,6-7). Christus heeft zichzelf ontledigd. Maar de gelovigen nemen die ontlediging niet ernstig, als zij Christus’ noden miskennen. Tijdens deze tijd van pelgrimschap, nu Christus in nood is, betekent leven: liefde tonen voor armen en zwakken. En volmaakte liefde is: leven omwille van hen voor wie je zelfs bereid bent te sterven. Draag daarom zorg voor de arme mensen, zegt Augustinus, want als je dat doet, draag je zorg voor Hem die sprak: Ik had honger en jullie gaven Mij te eten (Mt 25,35).

Het is precies deze Schriftpassage waardoor Augustinus, naar eigen zeggen, diep geraakt is, meer dan door welk ander Schriftwoord ook. Dat Christus zich identificeert met de minsten der zijnen, laat op Augustinus een onuitwisbare indruk achter. En vooral dat bij het oordeel alleen de barmhartige liefde telt. Omwille van de door Christus zelf gewilde identificatie zal de Heer iedere relatie tot Hem slechts beoordelen volgens die barmhartige liefde. De aandacht voor de naaste wordt zó alomvattend en onvoorwaardelijk dat er in het oordeel geen ander criterium bestaat dan barmhartige liefde.
Gods liefde zoekt en ontvangt aalmoezen tot het einde van de wereld, zegt Augustinus. De kern van dit geheim is Christus’ voortdurende aanwezigheid aan de mensheid, zowel in een alles omhelzende liefde, maar ook in een diep verlangen naar wederliefde. Dát is, volgens de kerkvader, de verrassende boodschap van Jesus’ woorden. Daarvan raakt Augustinus diep onder de indruk.


Tekst dr. Martijn Schrama o.s.a. 

Voor de dagindeling en publicaties van deze dag zie:  Augustijns Instituut > Studiedagen (2004)

kleiner A  -  A groter
Sitemap
1 december 2015